Artikel 144 Pensioenwet

Lid 1

Bij algemene maatregel van bestuur worden, ten behoeve van de berekeningen noodzakelijk voor de uitvoering van een pensioenregeling, regels gesteld over:

  1. het minimale percentage van het gemiddelde loon- of prijsindexcijfer;

  2. het maximaal te hanteren gemiddelde rendement op vastrentende waarden;

  3. de maximaal te hanteren risicopremies op onder andere aandelen en onroerend goed; en

  4. een uniforme set met economische scenario’s.

Lid 2

De in het eerste lid bedoelde regels worden uiterlijk iedere vijf jaren getoetst, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige financieel-economische verwachtingen.

Lid 3

Ten behoeve van de toetsing, bedoeld in het tweede lid, stelt Onze Minister een commissie in met toepassing van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. Onze Minister kan tevens het oordeel van de commissie vragen over de toepassing van de rentetermijnstructuur bij rentes met een lange looptijd.

Lid 4

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.