Artikel 111 Pensioenwet

Lid 1

In de statuten van een pensioenfonds worden in ieder geval bepalingen opgenomen betreffende:

  1. het doel van het pensioenfonds, waaronder een omschrijving van de werkingssfeer;

  2. de bestemming van de middelen van het pensioenfonds;

  3. het beheer van het pensioenfonds;

  4. de inkomsten van het pensioenfonds;

  5. de belegging van de gelden;

  6. het bestuursmodel van het pensioenfonds, bedoeld in artikel 99;

  7. de wijze waarop de bestuurders worden benoemd en ontslagen;

  8. de wijze waarop het intern toezicht is georganiseerd;

  9. de wijze waarop de leden van de raad van toezicht dan wel de visitatiecommissie worden benoemd en ontslagen;

  10. de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan dan wel het belanghebbendenorgaan worden benoemd en ontslagen;

  11. de wijziging van de statuten;

  12. de liquidatie van het pensioenfonds, waaronder begrepen de verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming van de bezittingen van het pensioenfonds; en

  13. de toepassing van artikel 105, derde lid.

Lid 2

De omschrijving van de werkingssfeer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vindt ten aanzien van een bedrijfstakpensioenfonds plaats door het omschrijven van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijfstak.

Lid 3

Een bedrijfstakpensioenfonds dat aan werkgevers de mogelijkheid biedt om zich vrijwillig aan te sluiten bepaalt in zijn statuten onder welke voorwaarden deze vrijwillige aansluiting mogelijk is.