Artikel 19 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

16 uitspraken verwijzen naar dit artikel ›

Lid 1

De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.

Lid 2

Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Lid 3

Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het in het eerste, tweede, en zevende lid bedoelde tijdvak niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.

Lid 4

Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Lid 5

Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet en worden niet in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het tweede lid.

Lid 6

Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt een belanghebbende geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet, indien hem in verband met de artikelen 19a, 19b, 19c, 29, 30, 31, 44 en 45 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.

Lid 7

De wachttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verlengd op gezamenlijk verzoek van de verzekerde en de werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij artikel 29 of artikel 29a, eerste of vierde lid, van de Ziektewet van toepassing is dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet, tenzij onderdeel a van artikel 76c van die wet van toepassing is, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. De verlengde wachttijd eindigt op de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangegeven datum. De verlengde wachttijd kan op verzoek van de werkgever of de verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt bij verkorting van de verlengde wachttijd een nieuwe datum vast waarop de verlengde wachttijd eindigt, met dien verstande dat de wachttijd niet eerder eindigt dan vijftien weken na dat verzoek tenzij de werkgever voor het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd. Bij de bekendmaking van de beschikking maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan. Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit lid.

Recente uitspraken

Art. 19 WAO is sinds 1998 in 16 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door CRvB, Rb. 's-Gravenhage en Hof Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2020:322 — 21-02-2020 Hoge Raad
    Cassatie in het belang der wet. Schuldsaneringsregeling, verrekening (art. 307 lid 1 Fw). Besluit tot toekenning van WAO-uitkering. Verrekening door uitkerende instantie. Moment waarop schuld van uitkerende instantie aan uitkeringsgerechtigde ontstaat.
  • ECLI:NL:CRVB:2021:1244 — 07-05-2021 CRvB
    De melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid dateert van 2 maart 2015, dus na het eindigen van de termijn van vijf jaar na de datum van herziening van de WAO-uitkering per 7 september 2007. Appellante voldoet derhalve niet aan de in artikel 39a van de WAO gestelde voorwaarden…
  • ECLI:NL:CRVB:2017:4074 — 22-11-2017 CRvB
    De reeds toegekende WAO-uitkering van appellant is naar aanleiding van de ziekmelding op 28 oktober 2013 herzien per 25 november 2013. Het vastgestelde dagloon ziet op dit recht. Omdat de wachttijd van 104 weken op 25 november 2013 nog niet was doorlopen, kon appellant op die…
  • ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6925 — 29-03-2013 CRvB
    Appellant is op 16 november 2004 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker met onder meer psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek is appellant geschikt bevonden voor dit werk. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant om een uitkering op…
  • ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7386 — 17-01-2007 CRvB
    WAO-schatting. Wachttijd.

Bekijk alle 16 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.