Artikel 23 Wetboek van Strafrecht
Lid 1
Hij die tot een geldboete is veroordeeld, betaalt het vastgestelde bedrag binnen de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid te stellen termijn aan de staat.
Lid 2
Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3.
Lid 3
De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.
Lid 4
Er zijn zes categorieën:
de eerste categorie, € 550 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 335);
de tweede categorie, € 5.500 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 3 350);
de derde categorie, € 11.000 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 6 700);
de vierde categorie, € 27.500 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 16 750);
de vijfde categorie, € 110.000 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 67 000);
de zesde categorie, € 1.100.000 (red.: per 1 januari 2026; daarvoor € 670 000).
Lid 5
Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen geldboete is gesteld, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie.
Lid 6
Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie, indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete.
Lid 7
Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Indien voor het feit een geldboete van de zesde categorie kan worden opgelegd en die boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste tien procent van de jaaromzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaande aan de uitspraak of strafbeschikking.
Lid 8
Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing bij veroordeling van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen.
Lid 9
De in het vierde lid genoemde bedragen worden elke twee jaar, met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige aanpassing van deze bedragen. Bij deze aanpassing wordt het geldbedrag van de eerste categorie op een veelvoud van € 5 naar beneden afgerond en worden, uitgaande van het geldbedrag van deze eerste categorie en onder instandhouding van de onderlinge verhouding tussen de bedragen van de geldboetecategorieën, de bedragen van de tweede tot en met de zesde geldboetecategorie bepaald.
Wordt genoemd in:
- Art. 45g Advocatenwet
- Art. 48aa Advocatenwet
- Art. 17a AKW
- Art. 36 AKW
- Art. 45 Alcw
- Art. 45a Alcw
- Art. 39 Anw
- Art. 17c AOW
- Art. 34 Arbowet
- Art. 10:7 ATW
- Art. 67fa AWR
- Art. 30b Gdw
- Art. 43 Gdw
- Art. 101 Geneesmiddelenwet
- Art. 47b HRW
- Art. 9.6 Jeugdwet
- Art. 41 OB1968
- Art. 18.11 Omgevingswet
- Art. 18.12 Omgevingswet
- Art. 18.13 Omgevingswet
- Art. 18.14 Omgevingswet
- Art. 18.15a Omgevingswet
- Art. 18a Pw
- Art. 47g Pw
- Art. 75 SW1956
Recente uitspraken
Art. 23 Sr is sinds 1955 in 1028 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Overijssel, Hof Amsterdam en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2026:1577 — 06-10-2026 Hoge Raad
Zich voordoen als verkeersregelaar, art. 58b Besluit administratieve bepalingen inzake wegverkeer. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht pleegplaats. 2. Strafoplegging. Voldoet opgelegde geldboete van € 500 aan strafmaximum? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt… - ECLI:NL:HR:2024:566 — 09-04-2024 Hoge Raad
Medeplegen hennepteelt in uitoefening van beroep of bedrijf, meermalen gepleegd (art. 3B jo. 11.3 Opiumwet) en aanwezig hebben van hennep (art. 3C Opiumwet). Duur vervangende hechtenis als bij meerdaadse samenloop taakstraf van meer dan 240 uren wordt opgelegd, art. 22d.3 en 57… - ECLI:NL:HR:2022:507 — 05-04-2022 Hoge Raad
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op (buitenlandse) bankrekeningen onder klaagsters (vennootschappen) t.z.v. verdenking van overtreding Wet op de kansspelen. 1. Namens 2 klaagsters is geen schriftuur ingediend. 2. Was er op het moment van beslissing Rb sprake van verdenking van… - ECLI:NL:HR:2021:723 — 11-05-2021 Hoge Raad
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op bankrekeningen van klager t.z.v. verdenking van overtreding van Wet op de kansspelen. Is sprake van verdenking wegens misdrijf waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd a.b.i. art. 94a.1 of 94a.2 Sv? Bij beoordeling van… - ECLI:NL:HR:2020:1183 — 07-07-2020 Hoge Raad
Profijtontneming, w.v.v. uit aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Heeft hof toepassing gegeven aan art. 36e.3 Sr of aan art. 36e.3 (oud) Sr? Aangezien bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd na 1-7-2011, kon hof aan art. 36e.3 Sr slechts toepassing geven indien sprake is van…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.