HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04685
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 december 2024, nummer 20-002449-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarbij een geldboete van € 500,- is opgelegd, tot vermindering van de geldboete tot een bedrag van € 435,- (subsidiair 8 dagen hechtenis) en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van de pleegplaats.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 en 3.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.
4 Ambtshalve opmerking over de strafoplegging
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 merkt de Hoge Raad het volgende op. Op grond van artikel 177 lid 2, aanhef en onder d en slot, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 58b en artikel 59 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan voor het door het hof bewezenverklaarde feit hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie worden opgelegd. Ten tijde van het bewezenverklaarde, op 13 juli 2021, was het in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde bedrag van de tweede categorie € 4.350. De door het hof opgelegde geldboete van € 500, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, valt binnen dit strafmaximum.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.