Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken waarin het gerecht van een lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat:
het bevoegde gerecht van een andere lidstaat om bewijsverkrijging verzoekt, of
om rechtstreekse bewijsverkrijging in een andere lidstaat verzoekt.
Er mag geen verzoek worden gedaan met het doel partijen in staat te stellen bewijs te verwerven dat niet bestemd is voor gebruik in een reeds aanhangige of in een voorgenomen procedure.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
“gerecht”: uit hoofde van artikel 31, lid 3, aan de Commissie meegedeelde rechterlijke instanties en andere autoriteiten in de lidstaten, die rechterlijke taken uitvoeren, handelen op grond van een bevoegdheidsdelegatie door een rechterlijke autoriteit of handelen onder toezicht van een rechterlijke autoriteit, en die uit hoofde van het nationale recht bevoegd zijn om bewijs te verkrijgen met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken;
“gedecentraliseerd IT-systeem”: een netwerk van onder de eigen verantwoordelijkheid en het eigen beheer van elke lidstaat opererende nationale IT-systemen en interoperabele toegangspunten, dat een veilige en betrouwbare grensoverschrijdende uitwisseling van informatie tussen de nationale IT-systemen mogelijk maakt.
Artikel 3
Rechtstreekse verzending tussen gerechten
Verzoeken uit hoofde van artikel 1, lid 1, punt a), worden door het gerecht waarvoor de procedure reeds aanhangig of voorgenomen is (“verzoekend gerecht”) rechtstreeks aan het bevoegde gerecht van een andere lidstaat (“aangezocht gerecht”) gezonden met het oog op de bewijsverkrijging.
Elke lidstaat stelt een lijst op van de gerechten die tot bewijsverkrijging overeenkomstig deze verordening bevoegd zijn. In de lijst worden ook de territoriale en, in voorkomend geval, de bijzondere bevoegdheid van die gerechten aangegeven.
Artikel 4
Centraal orgaan
Elke lidstaat wijst een centraal orgaan aan dat tot taak heeft:
de gerechten informatie te verschaffen;
oplossingen te zoeken indien zich moeilijkheden voordoen bij een verzoek;
in uitzonderlijke gevallen, op verzoek van een verzoekend gerecht een verzoek aan het bevoegde gerecht te doen toekomen.
Lidstaten met een federaal karakter, lidstaten waarin verschillende rechtsstelsels van kracht zijn en lidstaten met autonome territoriale structuren kunnen meer dan één centraal orgaan aanwijzen.
Elke lidstaat wijst tevens het in lid 1 van dit artikel bedoelde centraal orgaan aan dat tot taak heeft, dan wel een of meer bevoegde autoriteiten die tot taak hebben, te beslissen over op grond van artikel 19 ingediende verzoeken.