Artikel 29 Bewijsverordening (EU) 2020/1783

Verband met overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten

1.

In de betrekkingen tussen de lidstaten die partij zijn bij bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen, met name bij het Verdrag van Den Haag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering en het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, heeft deze verordening voor de aangelegenheden waarop zij van toepassing is voorrang op andersluidende bepalingen van die overeenkomsten of regelingen.

2.

Deze verordening belet lidstaten niet overeenkomsten of regelingen te behouden of te sluiten om de bewijsverkrijging verder te vergemakkelijken, mits die overeenkomsten of regelingen met deze verordening verenigbaar zijn.

3.

Elke lidstaat verzendt het volgende aan de Commissie:

a) 

een exemplaar van elke in lid 2 bedoelde tussen de lidstaten gesloten overeenkomst of regeling, alsook ontwerpen van dergelijke overeenkomsten of regelingen die hij zich voorneemt vast te stellen, en

b) 

elke opzegging of wijziging van die overeenkomsten of regelingen.

Geconsolideerde tekst van 02-12-2020 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.