Afdeling 3. Bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht
Artikel 12
Algemene bepalingen betreffende de uitvoering van een verzoek
Het aangezochte gerecht voert het verzoek onverwijld en uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek uit.
Het aangezochte gerecht voert het verzoek uit overeenkomstig zijn nationale recht.
Het verzoekende gerecht kan met gebruikmaking van formulier A in bijlage I het aangezochte gerecht vragen dat het verzoek wordt uitgevoerd volgens een bijzondere procedure waarin wordt voorzien door zijn nationale recht. Het aangezochte gerecht voert het verzoek uit volgens de bijzondere procedure, tenzij dat niet verenigbaar zou zijn met het nationale recht of het dat niet kan doen wegens grote praktische moeilijkheden. Indien het aangezochte gerecht op een van deze gronden geen gehoor geeft aan de vraag om het verzoek volgens een bijzondere procedure uit te voeren, stelt het het verzoekende gerecht daarvan in kennis met gebruikmaking van formulier H in bijlage I.
Het verzoekende gerecht kan het aangezochte gerecht vragen dat bij de bewijsverkrijging wordt gebruikgemaakt van specifieke communicatietechnologie, in het bijzonder video- en teleconferenties.
Het aangezochte gerecht maakt gebruik van de krachtens de eerste alinea gespecificeerde communicatietechnologie, tenzij dat niet verenigbaar zou zijn met zijn nationale recht of het aangezochte gerecht dat niet kan doen wegens grote praktische moeilijkheden.
Indien het aangezochte gerecht op een van deze gronden geen gebruik maakt van de gespecificeerde communicatietechnologie, stelt het het verzoekende gerecht daarvan in kennis met gebruikmaking van formulier H in bijlage I.
Indien de in de eerste alinea bedoelde communicatietechnologie niet beschikbaar is in het verzoekende of in het aangezochte gerecht, kunnen die gerechten dergelijke communicatietechnologie in onderlinge overeenstemming ter beschikking stellen.
Artikel 13
Bewijsverkrijging in aanwezigheid en met deelneming van de partijen
Indien het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht daarin voorziet, hebben de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers het recht aanwezig te zijn bij de bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht.
In zijn verzoek deelt het verzoekende gerecht het aangezochte gerecht met gebruikmaking van formulier A in bijlage I mee dat de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming aan de bewijsverkrijging wordt verzocht. Die mededeling kan ook op een ander geschikt tijdstip worden gedaan.
Indien wordt verzocht om de deelneming van de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers aan de bewijsverkrijging, bepaalt het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 12 de voorwaarden waaronder zij mogen deelnemen.
Het aangezochte gerecht stelt de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers met gebruikmaking van formulier I in bijlage I in kennis van het tijdstip waarop en de plaats waar de bewijsverkrijging zal plaatsvinden, en, in voorkomend geval, van de voorwaarden waaronder zij aan de bewijsverkrijging mogen deelnemen.
De leden 1 tot en met 4 doen geen afbreuk aan het vermogen van het aangezochte gerecht om de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers te verzoeken bij de bewijsverkrijging aanwezig te zijn of daaraan deel te nemen, indien het nationale recht van zijn lidstaat daarin voorziet.
Artikel 14
Bewijsverkrijging in aanwezigheid van en met deelneming van vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht
De vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht hebben het recht aanwezig te zijn bij de bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht indien zulks verenigbaar is met het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht.
Voor de toepassing van dit artikel omvat het begrip “vertegenwoordiger” het gerechtelijk personeel dat door het verzoekende gerecht is aangewezen overeenkomstig zijn nationale recht. Het verzoekende gerecht kan overeenkomstig zijn nationale recht tevens andere personen aanwijzen, zoals deskundigen.
In zijn verzoek deelt het verzoekende gerecht het aangezochte gerecht met gebruikmaking van formulier A in bijlage I mee dat zijn vertegenwoordigers aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming aan de bewijsverkrijging wordt verzocht. Die mededeling kan ook op een ander geschikt tijdstip worden gedaan.
Indien wordt verzocht om de deelneming van de vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht aan de bewijsverkrijging, bepaalt het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 12 de voorwaarden waaronder zij mogen deelnemen.
Het aangezochte gerecht stelt het verzoekende gerecht met gebruikmaking van formulier I in bijlage I in kennis van het tijdstip waarop en de plaats waar de bewijsverkrijging zal plaatsvinden, en, in voorkomend geval, van de voorwaarden waaronder zijn vertegenwoordigers aan de bewijsverkrijging mogen deelnemen.
Artikel 15
Dwangmaatregelen
Voor zover nodig past het aangezochte gerecht bij de uitvoering van het verzoek de daartoe passende dwangmaatregelen toe waarin het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht voorziet, in de gevallen en in de mate waarin het daartoe verplicht zou zijn bij de uitvoering van een soortgelijk verzoek van de autoriteiten van de eigen staat of van een belanghebbende partij.
Artikel 16
Weigeringen om verzoeken uit te voeren
Een verzoek om een persoon te verhoren wordt niet uitgevoerd indien de betrokken persoon zich beroept op het recht om niet te getuigen (verschoningsrecht) of geen verklaring mag afleggen uit hoofde van:
het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht, of
het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht, en dat recht om niet te getuigen (verschoningsrecht) of dat verbod om een verklaring af te leggen in het verzoek is vermeld of, indien nodig, op eigen verzoek door het verzoekende gerecht werd bevestigd.
De uitvoering van een verzoek kan alleen worden geweigerd op andere dan de in lid 1 vermelde gronden indien een of meer van de volgende gronden van toepassing zijn:
het verzoek valt niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening;
de uitvoering van het verzoek behoort volgens het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht;
het verzoekende gerecht geeft niet binnen 30 dagen gehoor aan het verzoek van het aangezochte gerecht om het verzoek om bewijsverkrijging aan te vullen op grond van artikel 10, of
een deposito of voorschot waarom overeenkomstig artikel 22, lid 3, is verzocht, is niet gestort binnen 60 dagen nadat het aangezochte gerecht daarom heeft verzocht.
Een aangezocht gerecht mag niet weigeren een verzoek uit te voeren op de enkele grond dat een ander gerecht overeenkomstig zijn nationale recht bij uitsluiting bevoegd is voor de in die zaak aan de orde zijnde aangelegenheid, dan wel dat het recht van die lidstaat geen vorderingsrecht toestaat voor die aangelegenheid.
Indien de uitvoering van een verzoek op een van de in lid 2 genoemde gronden wordt geweigerd, stelt het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht daar met gebruikmaking van formulier K in bijlage I binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek van in kennis.
Artikel 17
Kennisgeving van vertraging
Indien het aangezochte gerecht het verzoek niet binnen 90 dagen na de ontvangst ervan kan uitvoeren, stelt het het verzoekende gerecht daarvan in kennis met gebruikmaking van formulier J in bijlage I. Daarbij wordt opgave gedaan van de redenen voor de vertraging en van de tijd die het meent nodig te hebben om het verzoek uit te voeren.
Artikel 18
Procedure na de uitvoering van het verzoek
Het aangezochte gerecht doet het verzoekende gerecht onverwijld de stukken ten bewijze van de uitvoering van het verzoek toekomen en zendt in voorkomend geval de van het verzoekende gerecht ontvangen stukken terug. Die stukken gaan vergezeld van een uitvoeringsbevestiging waarvoor formulier K in bijlage I wordt gebruikt.