Afdeling 1. Verzending van verzoeken

Artikel 5

Vorm en inhoud van verzoeken

1.

Verzoeken worden ingediend met gebruikmaking van formulier A of, in voorkomend geval, formulier L in bijlage I. Elk verzoek bevat de volgende gegevens:

a) 

het verzoekende en in voorkomend geval het aangezochte gerecht;

b) 

de namen en adressen van de partijen en eventueel van hun vertegenwoordigers;

c) 

de aard en het onderwerp van het geding en een beknopte uiteenzetting van de feiten;

d) 

een omschrijving van de verzochte bewijsverkrijging;

e) 

bij een verzoek om een persoon te verhoren:

— 

de naam en het adres van de te verhoren persoon,

— 

de vragen die aan de te verhoren persoon moeten worden gesteld, dan wel de feiten waarover die persoon moeten worden verhoord,

— 

in voorkomend geval, de vermelding van het recht om niet te getuigen (verschoningsrecht) uit hoofde van het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht,

— 

enig voorschrift dat het verhoor onder ede of belofte moet plaatsvinden en, eventueel, de formule die bij een dergelijke eed of belofte moet worden gebruikt,

— 

in voorkomend geval alle andere informatie die het verzoekende gerecht noodzakelijk acht,

f) 

bij een verzoek om andere vormen van bewijsverkrijging dan de in punt e) vermelde vormen, de stukken of andere voorwerpen die moeten worden onderzocht;

g) 

in voorkomend geval een verzoek op grond van artikel 12, leden 3 en 4, of artikel 13 of 14 en de voor de uitvoering van een dergelijk verzoek.

2.

Noch het verzoek, noch de bij het verzoek gevoegde stukken behoeven legalisatie of enige andere vergelijkbare formaliteit.

3.

Stukken die naar het oordeel van het verzoekende gerecht noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verzoek en derhalve moeten worden toegevoegd, gaan vergezeld van een vertaling van de stukken in de taal waarin het verzoek is gesteld.

Artikel 6

Talen

Verzoeken en mededelingen op grond van deze verordening worden gesteld in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in die lidstaat zijn, in de officiële taal of één van de officiële talen van de plaats waar de verzochte bewijsverkrijging moet plaatsvinden, of in een andere taal die de lidstaat heeft verklaard te zullen aanvaarden.

Elke lidstaat deelt aan de Commissie, in voorkomend geval, mee in welke andere officiële talen van de Unie dan zijn eigen taal of talen de formulieren in bijlage I mogen worden ingevuld.

Artikel 7

Verzending van verzoeken en van overige mededelingen

1.

Verzoeken en mededelingen op grond van deze verordening worden verzonden via een veilig en betrouwbaar gedecentraliseerd IT-systeem met inachtneming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden. Dat gedecentraliseerde IT-systeem is gebaseerd op een interoperabele oplossing, zoals e-CODEX.

2.

Het algemene rechtskader voor het gebruik van gekwalificeerde vertrouwensdiensten in de zin van Verordening (EU) nr. 910/2014 is van toepassing op de verzoeken en mededelingen die via het gedecentraliseerde IT-systeem worden verzonden.

3.

Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoeken en mededelingen een zegel of handgeschreven handtekening vereisen of daarvan zijn voorzien, mogen in de plaats daarvan gekwalificeerde elektronische zegels of gekwalificeerde elektronische handtekeningen als omschreven in Verordening (EU) nr. 910/2014, worden gebruikt.

4.

Indien verzending overeenkomstig lid 1 niet mogelijk is wegens de verstoring van het gedecentraliseerde IT-systeem of wegens de aard van het betrokken bewijs, of wegens uitzonderlijke omstandigheden, vindt de verzending met behulp van de snelste, meest geschikte alternatieve middelen plaats, ermee rekening houdend dat betrouwbaarheid en veiligheid gewaarborgd moeten zijn.

Artikel 8

Rechtsgevolgen van elektronische stukken

Aan via het gedecentraliseerde IT-systeem verzonden stukken wordt geen rechtsgevolg ontzegd of zij worden in de procedure niet als ontoelaatbaar bewijsmiddel geacht louter omdat zij in elektronische vorm zijn.