Artikel 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Lid 1
Geen griffierecht wordt geheven van:
het openbaar ministerie indien het ambtshalve optreedt;
de gedaagde in een zaak in behandeling bij de kantonrechter of de pachtkamer bij de rechtbank;
de oorspronkelijke eiser in geval van verzet als bedoeld in de achtste afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de oorspronkelijke eiser en de oorspronkelijke gedaagde in geval van verzet door derden als bedoeld in de negende titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de partij in een zaak in vrijwaring als bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die in de hoofdzaak reeds griffierecht verschuldigd is geworden, en
partijen en anderen die verschijnen in de prejudiciële procedure als bedoeld in artikel 393 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Lid 2
Geen griffierecht wordt geheven voor:
het indienen van een verweerschrift bij de kantonrechter of de pachtkamer bij de rechtbank;
het instellen van een eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
het instellen van incidenteel beroep als bedoeld in de artikelen 339, derde lid, 361, vierde lid, en 410 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
het indienen van een zelfstandig verzoek als bedoeld in artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
het doen van rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 771 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de indiening van een verzoekschrift, indien dit verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dit geding betrekking heeft;
de indiening van een verzoekschrift strekkende tot begroting van de nakosten als bedoeld in artikel 237, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
het voeren van verweer tegen handelingen als bedoeld onder b tot en met g;
het doen van een eigen aangifte tot faillietverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Faillissementswet, alsmede voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van deze aangifte;
de indiening van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen als bedoeld in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet, alsmede voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van dit verzoek, en
de indiening van een verzoek tot rangschikking.
Lid 3
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent bepaalde categorieën van zaken die bij dagvaarding of met een verzoekschrift worden ingeleid, waarin geen griffierecht wordt geheven.
Dit artikel verwijst naar:
- artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw)
- artikel 4, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw)
- 361, vierde lid (Rv)
- 410 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- achtste afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 136 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 237, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 393 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikel 771 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
- artikelen 339, derde lid (Rv)
- negende titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 4 Wgbz is sinds 2012 in 8 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Rb. Den Haag en Rb. Noord-Holland.
- ECLI:NL:HR:2023:1810 — 22-12-2023 Hoge Raad
Verbintenissenrecht. Eigen schuld. Procesrecht. Proceskostenveroordeling. Veroordeling in incidenteel hoger beroep tot betaling van deel van griffierecht mogelijk? Art. 4 Wgbz. - ECLI:NL:HR:2012:BX5578 — 02-11-2012 Hoge Raad
Griffierecht. Vaststelling en invordering verschuldigde griffierecht in cassatie. Verzet op de voet van art. 22 Wtbz dan wel art. 29 Wgbz. Ontvankelijkheid; Hoge Raad komt terug van HR 18 maart 2005, LJN AR8211, NJ 2006/431. Verschuldigdheid griffierecht in geval… - ECLI:NL:RBZWB:2025:6325 — 17-09-2025 Rb. Zeeland-West-Brabant
Verzoekster heeft het griffierecht niet tijdig betaald en wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 3 lid 2 jo lid 4 Wgbz en 282a lid 2 Rv. - ECLI:NL:RBDHA:2022:14725 — 03-11-2022 Rb. Den Haag
verzet tegen in rekening gebrachte griffierechten in WHOA-traject. - ECLI:NL:RBNHO:2021:1836 — 08-03-2021 Rb. Noord-Holland
Heffing griffierecht. Verzet ex artikel 29 Wgbz. Verweerschrift tegen verzoek ontneming schone lei Wsnp. Dient artikel 4 lid 2 sub j Wgbz ook toepassing te vinden in het geval van een procedure in het kader van de ontneming van de schone lei?
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.