Artikel 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken

Lid 1

In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, wordt op de eerste roldatum, dan wel in zaken als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de eerste zitting, van elke eiser en elke verschenen gedaagde voor iedere instantie een griffierecht geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.

Lid 2

Voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift wordt een griffierecht geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.

Lid 3

De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter zitting of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. De gedaagde is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

Lid 4

De verzoeker en de belanghebbende zijn het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift respectievelijk het verweerschrift en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort.

Lid 5

De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd.

Lid 6

In afwijking van het vijfde lid wordt in zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 1.000.000, het griffierecht geheven uit de naast lagere categorie zoals dat volgt uit de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd indien een natuurlijke persoon bij die zaak partij is.

Recente uitspraken

Art. 3 Wgbz is sinds 2011 in 196 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Rotterdam, Hoge Raad en Hof 's-Hertogenbosch.

  • ECLI:NL:HR:2023:1810 — 22-12-2023 Hoge Raad
    Verbintenissenrecht. Eigen schuld. Procesrecht. Proceskostenveroordeling. Veroordeling in incidenteel hoger beroep tot betaling van deel van griffierecht mogelijk? Art. 4 Wgbz.
  • ECLI:NL:HR:2018:681 — 04-05-2018 Hoge Raad
    Cassatie in het belang der wet. Erfrecht, procesrecht. Art. 4:209 lid 1 BW; kan in één beschikking zowel kosteloze vereffening van nalatenschap als opheffing van de vereffening worden bevolen? Verschuldigdheid van griffierecht; Wet griffierechten burgerlijke zaken. Parallel met…
  • ECLI:NL:HR:2017:1013 — 02-06-2017 Hoge Raad
    Griffierecht. Te late betaling; beroep op ‘hardheidsclausule’; art. 282a lid 4 in verbinding met art. 427b Rv.
  • ECLI:NL:HR:2016:2760 — 02-12-2016 Hoge Raad
    Procesrecht. Griffierecht in hoger beroep, na anticipatie door geïntimeerde, door appellant te laat betaald; ontslag van instantie. Art. 127a Rv. Uitsluiting van rechtsmiddelen. Doorbrekingsgronden.
  • ECLI:NL:HR:2016:1515 — 08-07-2016 Hoge Raad
    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Griffierecht ter zake van verzoekschrift tot faillietverklaring van een v.o.f. en van haar vennoten (na HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251). Is het griffierecht één maal verschuldigd of voor elk van de verzochte faillissementen…

Bekijk alle 196 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.