ECLI:NL:GHAMS:2026:3018

Datum uitspraak
20-07-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
23-002525-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan joyriden en heeft zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden. Vernietiging ten aanzien van opgelegde straf, vordering BP en vorderingen TUL. Aanvullende bewijsmotivering. Taakstraf van 150 uren met aftrek en voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast ontzegging rijbevoegdheid van 9 maanden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002525-25

datum uitspraak: 20 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 15-177975-25 en 96-198898-21 (TUL) en 96-083952-22 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de bewijsmotivering aanvult en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toegepaste wetsartikelen.

Aanvullende bewijsmotivering

Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de politierechter als volgt.

Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte levensgevaarlijk heeft gereden en dat hij hiermee het leven van anderen in gevaar heeft gebracht. Zo waren er op de Herenweg in Alkmaar meerdere voetgangers en fietsers en zagen verbalisanten daar ook een kind op een step rijden. In de ogen van de verbalisanten is het een wonder dat de verdachte in het drukke verkeer geen ongeluk heeft veroorzaakt; zij noteren dat de verdachte daar het leven van anderen in gevaar heeft gebracht.

Vanwege de hoge snelheid van de verdachte kon de politie vervolgens op de Dommelstraat in Alkmaar de auto van verdachte niet langer meer volgen zonder zichzelf of anderen in levensgevaar te brengen.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte voor het onder feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de politierechter zijn opgelegd.

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een groter voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat een ontzegging van de rijbevoegdheid het voor de verdachte ingewikkeld maakt om werk te kunnen vinden en vast te houden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan joyriden en hij heeft zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangeefster, de verkeersveiligheid zeer ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze veronachtzaamd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent door hem uit te schelden en hem in het gezicht te spugen. De verdachte heeft daarmee de agent in zijn eer en goede naam aangetast. Daarbij getuigt de belediging van een gebrek aan respect en maakt de belediging ook inbreuk op het gezag van de politie in het algemeen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij een huurwoning heeft, dat hij bezig is met het aflossen van zijn schulden, dat hij werkt aan zijn verslavingsproblematiek en dat hij als vrijwilliger werkt bij een verhuisdienst. Vanaf september kan hij bij dat bedrijf waarschijnlijk in dienst treden.

Het hof heeft daarnaast ook acht geslagen op het voortgangsverslag van [instelling 1] , waaruit blijkt dat de verdachte gedurende de afgelopen maanden een positieve en relatief stabiele ontwikkeling laat zien.

Tegelijkertijd stelt het hof vast dat deze positieve ontwikkelingen nog pril zijn. Om die reden beoordeelt het hof deze ontwikkelingen met enige voorzichtigheid.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 25 juni 2026, waaruit volgt dat hij eerder voor misdrijven – waaronder Wegenverkeerswet-feiten – onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit mee in het nadeel van de verdachte. Ten slotte houdt het hof rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf weken, met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van negen maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 11, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering tenuitvoerlegging inzake 96-083952-22

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft deze vordering toegewezen. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar dat deze wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 30 uren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging de positieve ontwikkelingen van de verdachte doorkruist.

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling van voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden.

Het hof ziet, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en is beschreven onder het kopje “Oplegging van straffen”, wel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis in geval deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Vordering tenuitvoerlegging inzake 96-198898-21

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar dat deze wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 60 uren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging de positieve ontwikkelingen van de verdachte doorkruist.

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden.

Het hof ziet, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en is beschreven onder het kopje “Oplegging van straffen”, wel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis in geval deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 525,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Omdat de vordering door de verdediging niet is betwist en deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, is de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 2] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- de verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- de verdachte zich laat behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

- de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- de verdachte meewerkt met de begeleiding van [instelling 1] en toestemming geeft aan de reclassering om contact te hebben met zijn begeleiding.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 525,00 (vijfhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 525,00 (vijfhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 juni 2025.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2023 met parketnummer 96-083952-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2022 met parketnummer 96-198898-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.W.T. Klappe en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »