ECLI:NL:GHARL:2026:6413

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Zaaknummer
21-004661-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Post-Landeck. Het hof veroordeelt verdachte voor rijden onder invloed van drugs, meermalen gepleegd, handel in heroïne en cocaïne, aanwezig hebben van hennep en heroïne en cocaïne, belediging van opsporingsambtenaren en eendaadse samenloop van voorbereiding van handel in harddrugs en aanwezig hebben van cocaïne tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Het hof verbindt hieraan bijzondere voorwaarden. Het hof legt ook een taakstraf op van 480 uur, te vervangen door 240 dagen hechtenis. Vormverzuim i.d.z.v. art. 359a Sv, wegens een Landeck-verzuim, hof volstaat met de enkele constatering nu de R-C hoogstwaarschijnlijk een bevel had verleend om de telefoons van verdachte te onderzoeken.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004661-25

Uitspraakdatum: 6 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 30 oktober 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-157019-25 en 08-157013-25, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • veroordeling van verdachte ter zake van alle aan hem ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden zoals door de politierechter zijn verbonden aan de voorwaardelijke straf;

  • verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag en teruggave van het inbeslaggenomen mes.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.H. van Bommel, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 30 oktober 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:

  • verdachte vrijgesproken ter zake van het aan hem in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 2 en onder 3 impliciet primair ten laste gelegde feit;

  • verdachte veroordeeld ter zake van de aan hem in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 1, 3 impliciet subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten;

  • verdachte veroordeeld ter zake van alle aan hem in de zaak met parketnummer 08-157013-25 ten laste gelegde feiten;

  • aan verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan bijzondere voorwaarden verbonden;

  • aan verdachte opgelegd een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;

  • aan verdachte opgelegd een ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden;

  • de teruggave gelast van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 08-157019-25:

1.hij op of omstreeks 7 november 2024 te [plaats] een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten tetrahydrocannbinol (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 21 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde;

2.hij in of omstreeks de periode van 28 september 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.hij in of omstreeks de periode van 28 september 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats] meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.hij op of omstreeks 7 november 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23,76 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 1,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zaak met parketnummer 08-157013-25:

1.hij op of omstreeks 12 maart 2025 te [plaats] opzettelijk een of meer ambtenaren,te weten [een agent] en/of [een hoofdagent] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "Kankerwouten" en/of "Kankermongolen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.hij op of omstreeks 12 maart 2025 te [plaats] een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten tetrahydrocannabinol (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 10 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde;

3.hij op of omstreeks 12 maart 2025 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet één of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten: een geldbedrag (905 euro) in verschillende biljetten, ongeveer 10,87 gram cocaïne verpakt in diverse gripzakjes, meerdere telefoons en/of een auto waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

4.hij op of omstreeks 12 maart 2025 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,87 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Hij heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat ten aanzien van feit 2 en feit 3 impliciet primair in de zaak met parketnummer 08-157019-25 sprake is van een vormverzuim, nu de telefoons van verdachte zijn doorzocht zonder dat de rechter-commissaris daar toestemming voor had verleend. Er kan echter worden volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim, nu de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk toestemming zou hebben gegeven tot het onderzoeken van de telefoons van verdachte gelet op de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak. Daarnaast heeft de verdediging niet aangevoerd welk rechtens te respecteren nadeel verdachte door het vormverzuim zou hebben geleden.

Standpunt van de verdediging

De zaak met parketnummer 08-157019-25

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 1, en 4 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het handelen in drugs. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het bewijs dat afkomstig is uit het onderzoek aan de telefoon van verdachte en de daaruit volgende getuigenverklaringen dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu bij de verkrijging daarvan sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de gebruikers onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

De zaak met parketnummer 08-157013-25

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte geen voorwerpen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet. Het bij verdachte aangetroffen geldbedrag zou hij hebben gewonnen in een casino en de aangetroffen drugs zouden voor eigen gebruik zijn.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

In de zaak met parketnummer 08-157019-25

Verdachte heeft de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten ondubbelzinnig bekend en door de raadsvrouw is ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. Het hof is van oordeel dat, op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de bekentenis van verdachte op de zitting van het hof, de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 08-157019-25 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Met betrekking tot de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten overweegt het hof als volgt.

Vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv

Opsporingsambtenaren hebben onderzoek gedaan aan de telefoons van verdachte na toestemming van de officier van justitie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) heeft op 4 oktober 2024 arrest gewezen, beter bekend als het Landeck-arrest, waaruit blijkt dat het Unierecht de eis stelt dat voor dergelijke onderzoekshandelingen, waarbij een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de privacy van verdachten, toestemming moet worden verleend door een rechter.1 In onderhavige zaak is geen toestemming verleend door de rechter-commissaris, maar door de officier van justitie.

Nu geen toestemming is verleend door de rechter-commissaris tot het doen van onderzoek aan de telefoons van verdachte, is het hof – met de advocaat-generaal en raadsvrouw – van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welk rechtsgevolg hieraan dient te worden verbonden. De verdediging heeft primair betoogd dat de bewijsmiddelen die door het onderzoek aan de telefoon zijn verkregen en de daaruit voortvloeiende getuigenverklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen, ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. In het voertuig van verdachte troffen verbalisanten een meer dan gebruikershoeveelheid cocaïne, heroïne en hennep aan. Daarnaast is onder verdachte een telefoon aangetroffen. Het nummer van deze telefoon is genoemd in een aantal meld ‘misdaad anoniem-meldingen’ (mma-meldingen) die betrekking hadden op drugshandel. Ook is de naam van verdachte in deze meldingen genoemd.

Onder de gegeven feiten en omstandigheden zou, naar het oordeel van het hof, de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk toestemming hebben verleend voor het onderzoeken van de telefoon van verdachte. Daarnaast is door de verdediging niet naar voren gebracht wat het door de verdachte concreet geleden nadeel zou zijn. Door de verdediging is niet meer naar voren gebracht dan dat verdachte door het enkele onderzoek aan zijn telefoon al in zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad. Dat klemt temeer nu verdachte op de zitting van het hof heeft verklaard dat het hem niets kan schelen dat de betreffende telefoon is onderzocht (omdat het zijn telefoon niet is).

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof zal hieraan geen verdere rechtsgevolgen verbinden.

Bewijs

Op 7 november 2024 is verdachte staande gehouden door verbalisanten. Verdachte reed op dat moment in een op zijn naam gesteld voertuig en zijn rijgedrag viel op bij de verbalisanten. Na controle in de politiesystemen door de verbalisanten bleek dat de te naam gestelde van het voertuig eerder in aanraking was geweest met de politie wegens meerdere verkeersovertredingen. Ook kwam verdachte voor in de systemen wegens het bezit van hard- en softdrugs. Nadat de verbalisanten het rijbewijs van verdachte hadden gevorderd bleek dat verdachte genoemd werd in mma-meldingen als dealer die actief zou zijn in [plaats] . Bij doorzoeking van het voertuig troffen verbalisanten twee plastic zakken hennep aan, verdeeld over 36 gripzakjes met een totaalgewicht van 56 gram.

Bij de vervoersfouillering zag een verbalisant bij verdachte een onnatuurlijke verdikking ter hoogte van de schaamstreek. Bij de verbalisanten rees het vermoeden dat verdachte drugs in zijn onderbroek zou hebben verstopt, nu hij dat eerder had gedaan. Na verkregen toestemming werd een onderzoek aan het lichaam uitgevoerd, waarbij 39 gripzakjes cocaïne en heroïne onder verdachte werden aangetroffen. Verdachte heeft gedurende het strafproces meerdere malen verklaard dat dit drugs betrof voor eigen gebruik.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2025 blijkt dat beide onder verdachte in beslag genomen telefoons zijn onderzocht. Op de rode iPhone 11, waarvan het telefoonnummer wordt genoemd in meerdere mma-meldingen, trof de verbalisant veel drugsgerelateerde conversaties aan, waarin gebruikers verdachte vragen of hij aan hen drugs kan leveren. Verder hebben meerdere getuigen verklaard dat verdachte de dealer was bij wie zij hun wiet en cocaïne of heroïne kochten.

Gelet op het bovenstaande schuift het hof de verklaring van verdachte dat de bij hem aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren, als ongeloofwaardig terzijde. De hoeveelheid drugs en de wijze waarop dit was verpakt – de aangetroffen hennep was verdeeld over 36 gripzakjes en de aangetroffen cocaïne en heroïne over in totaal 39 gripzakjes – duidt naar het oordeel van het hof op drugs die verdachte bij zich had voor handel. Zodoende is het hof van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde handel in harddrugs en de onder 3 impliciet primair ten laste gelegde handel in softdrugs wettig en overtuigend bewezen kunnen worden

In de zaak met parketnummer 08-157013-25

Verdachte heeft de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten ondubbelzinnig bekend en door de raadsvrouw is geen vrijspraak bepleit. Het hof is van oordeel dat, op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en de bekentenis van verdachte op de zitting van het hof, de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 08-157013-25 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde oordeelt het hof als volgt.

Op 12 maart 2025 is verdachte staande gehouden terwijl hij in zijn Opel Corsa met kenteken [kenteken] reed. Nadat verdachte positief testte op het gebruik van cannabis, is verdachte aangehouden voor rijden onder invloed. Op het moment dat verdachte in de richting van de verbalisant liep, zag de verbalisant een verdikking ter hoogte van de schaamstreek van verdachte. Hem was ambtshalve bekend dat verdachte eerder drugs in zijn onderbroek had verstopt. Op de vordering van de verbalisant tot uitlevering van alle drugs, antwoordde verdachte dat hij niks bij zich had. Vervolgens heeft er, na toestemming van de hulpofficier van justitie, onderzoek aan het lichaam van verdachte plaatsgevonden. Nadat verbalisanten aan verdachte meedeelden dat toestemming was verkregen tot het doen van onderzoek aan het lichaam en dat verdachte zijn onderbroek moest laten zakken, gooide hij een sok naar buiten. In deze sok bleken 40 gripzakjes – naar later bleek – met cocaïne aanwezig te zijn. Het totale nettogewicht was 10,87 gram.

Nadat verbalisanten waren teruggekeerd naar het voertuig voor nader onderzoek, troffen zij in het vak van het bestuurdersportier een stapel dubbelgevouwen bankbiljetten aan. De totaalwaarde bleek 905 euro, verdeeld in 7 biljetten van 50 euro, 25 biljetten van 20 euro, 5 biljetten van 10 euro en 1 biljet van 5 euro.

Verdachte heeft meerdere malen tijdens het strafproces verklaard dat de inbeslaggenomen drugs voor eigen gebruik waren en dat hij het aangetroffen geld in het casino had gewonnen.

De onder verdachte inbeslaggenomen drugs gaan de gebruikershoeveelheid te boven. Daarnaast waren de drugs verdeeld over 40 gripzakjes, wat het onaannemelijk maakt dat sprake was van een gebruikershoeveelheid. De verklaring van verdachte dat hij het geld in het casino heeft gewonnen acht het hof ongeloofwaardig. Aan de verklaring van verdachte ontbreekt elk begin van aannemelijkheid. Dergelijke biljetten zijn bij uitstek geschikt om bij de handel in drugs te dienen als wisselgeld.

Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van de drugs en het geld het doel van drugshandel voor ogen had. Zodoende is sprake van de ten laste gelegde voorbereiding/bevordering van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid cocaïne.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 08-157013-25 heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Zaak met parketnummer 08-157019-25:

1.hij op 7 november 2024 te [plaats] een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten tetrahydrocannbinol (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 21 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

2.hij in de periode van 28 september 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats] meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.hij in de periode van 28 september 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats] meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.hij op 7 november 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23,76 gram cocaïne en ongeveer 1,30 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Zaak met parketnummer 08-157013-25:

1.hij op 12 maart 2025 te [plaats] opzettelijk meer ambtenaren, te weten [een agent] en [een hoofdagent] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "Kankerwouten" en/of "Kankermongolen".

2.hij op 12 maart 2025 te [plaats] een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten tetrahydrocannabinol (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 10 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

3.hij op 12 maart 2025 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een hoeveelheid cocaïne, één of meer voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, te weten: een geldbedrag (905 euro) in verschillende biljetten en ongeveer 10,87 gram cocaïne verpakt in diverse gripzakjes, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

4.hij op 12 maart 2025 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,87 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 1 en in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

telkens:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 3 en 4 bewezenverklaarde leveren op:

de eendaadse samenloop van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het volgende

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van drugs, handelen in hard- en softdrugs, het voorbereiden van handel in harddrugs, het aanwezig hebben van harddrugs en belediging van opsporingsambtenaren. Door aldus te handelen heeft verdachte ten eerste blijk gegeven van een miskenning van de verkeersregels en zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer en heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Daarnaast heeft verdachte ruim een maand gehandeld in hard- en softdrugs, heeft hij harddrugs aanwezig gehad en heeft hij handel in harddrugs voorbereid. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin. Ten slotte heeft verdachte door opsporingsambtenaren te beledigen hun in de eer en goede naam geschaad en ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Bij de strafoplegging heeft het gelet op het strafblad van verdachte van 20 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijke strafbeschikkingen heeft gekregen voor soortgelijke feiten. Daarnaast blijkt hieruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals door en namens hem op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard een leefstijltraining te hebben gevolgd en nadien grotendeels te zijn gestopt met drugsgebruik. Verdachte heeft zijn leven een positieve wending gegeven en zijn leven over een andere boeg gegooid.

Het hof is van oordeel dat voor onderhavige feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Gelet op de stijgende lijn die verdachte inzet in zijn leven, de leefstijltraining die hij vrijwillig heeft gevolgd en het feit dat verdachte zijn leven probeert bij te sturen, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter niet aan de orde. Naar het oordeel van het hof is een forse taakstraf aangewezen in onderhavige zaak. Artikel 22c Sr kent als maximum voor een taakstraf 240 uren. Dit maximum geldt echter voor een enkel feit, zodat het hof in deze zaak een hogere taakstraf op kan leggen dan 240 uren, nu het hof verdachte voor 8 feiten veroordeelt.

Gelet op al het voorstaande is het hof alles afwegende van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 480 uren, passend en geboden is. Het hof zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de reclassering geadviseerd. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht zal worden afgetrokken van de taakstraf, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Beslag

Onder verdachte zijn in de zaak met parketnummer 08-157013-25 een mes en een geldbedrag van € 905,00 inbeslaggenomen.

Het in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 3 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het geldbedrag. Het behoort verdachte toe. Het wordt daarom verbeurdverklaard.

Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Het voorhanden hebben van het onder verdachte in beslaggenomen mes is niet in strijd met de wet of het algemeen belang. Het hof gelast dan ook de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen mes.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 55, 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-157019-25 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 08-157013-25 onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3] dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op [locatie] ;

  • dat de verdachte zich diagnostisch laat onderzoeken en, zo nodig, behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat na daartoe strekkend advies van een arts nodig vindt;

  • dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 905,00 EUR (voorwerpnummer: G3411324).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 mes (voorwerpnummer: PL0600-20251 13761-3411162).

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. E.W. van Weringh en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »