Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/310525-25 en 09/298106-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 5 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Roosma en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. H. Oldenhof naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft de voeging bevolen van de dagvaarding met parketnummer 09/310525-25 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 09/298106-25 (hierna te noemen dagvaarding II).
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen I en II. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat deze feiten kunnen worden bewezen verklaard.
Vrijspraak inrijden op verbalisant [verbalisant 1]
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Zij overweegt daartoe als volgt.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn aangifte en proces-verbaal van bevindingen twee momenten beschreven waarop de verdachte op hem zou zijn ingereden: op de parkeerplaats bij WoonInvest en op het fietspad langs de Monseigneur van Steelaan nabij de kruising met de Distelweide.
Op de bodycambeelden van verbalisant [verbalisant 2] is te zien dat op het moment dat de verdachte achteruit het parkeervak bij WoonInvest uitdraaide en vervolgens vooruit optrok, verbalisant [verbalisant 1] ongeveer één meter van haar voertuig verwijderd stond. [verbalisant 1] stond noch bij het achteruit rijden, noch bij het vooruit optrekken in de rijrichting van haar auto. Gelet daarop is er geen aanmerkelijke kans geweest dat de verdachte hem met haar auto zou raken. Daarom kan ook niet worden gesproken van een poging tot zware mishandeling of bedreiging.
Over het incident op het fietspad langs de Monseigneur van Steelaan overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de summiere verklaring die [verbalisant 1] hierover zelf heeft afgelegd, evenmin kan vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de verdachte hem met haar auto zou raken op een manier die zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken of van een situatie die kwalificeert als een strafbare bedreiging.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 en bij dagvaarding II tenlastegelegde feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld –bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit – tenzij anders vermeld – de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025390240, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 63).
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – de overtuiging gekregen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 november 2025 (p. 34-39);
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 november 2025 (p. 40-42);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 november 2025 (p. 46-48);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 november 2025 (p. 49-51);
5. Opname van beeld en geluid, bestandsnaam ‘ [verdachte] voorgeleiding RC 20 november, beelden deel 1’, gedateerd 17 november 2025, voor zover inhoudende:
Op de beelden is vanaf minuut 14:28:02 het volgende te zien. Er wordt gefilmd vanuit een auto. Dit is de politieauto waar de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] eerder zijn ingestapt en de achtervolging van de verdachte mee hebben ingezet nadat zij haar op de parkeerplaats van WoonInvest hadden aangesproken. Door de voorruit en de ruit in het bijrijdersportier zijn groene bosjes en twee zilverkleurige palen te zien. Vanaf minuut 14:28:06 is in de rechterzijspiegel van de politieauto te zien dat (kennelijk) verbalisant [verbalisant 3] op het fietspad staat. Op minuut 14:28:10 rijdt een zwarte auto tegen de rechterzijde van de politieauto, hetgeen te horen is en ook zichtbaar doordat de politieauto heen en weer schudt. Op minuut 14:28:14 rijdt de zwarte auto achteruit. In de rechter zijspiegel van de politieauto is te zien dat verbalisant [verbalisant 3] op dat moment een plotselinge beweging naar achteren moet maken. Op 14:28:20 is in de rechter zijspiegel van de politieauto te zien dat verbalisant [verbalisant 3] een stukje verder loopt. Vrijwel direct daarna is een snelle beweging zichtbaar van een zwarte auto die van rechts het beeld in komt en links weer uit beeld verdwijnt.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 mei 2026 (p. 15 van het aanvullend dossier d.d. 18 mei 2026);
7 Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 17 november 2025 (p. 32-33);
Ten aanzien van dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld –bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025376216, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 28).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
8. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 6 november 2025 (p. 21-26);
9 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 november 2025 (p. 7-9);
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 november 2025 (p. 10-11).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
zij op 17 november 2025 te Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [verbalisant 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met aanmerkelijke snelheid in de richting van die (zich op de weg en/of het fietspad bevindende) [verbalisant 3] te rijden, waardoor die [verbalisant 3] weg moest springen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
zij op 17 november 2025 te Voorburg als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Nissan met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, te weten de Charlotte van Pallandtlaan en de Kersengaarde en de Monseigneur van Steelaan en de N14 en de snelweg A4, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- met hoge en/of voor de situatie te hoge snelheid over die wegen te rijden en
- daarbij stoptekens van de politie te negeren en
- daarbij meermalen, een voor haar rood uitstralend verkeerslicht te negeren en
- daarbij over het fietspad te rijden en
- daarbij in de richting van één of meer voor haar op de weg bevindende personen te rijden en
- daarbij over het trottoir te rijden en
- daarbij andere voertuigen af te snijden,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
4
zij op 17 november 2025 te Voorburg, opzettelijk en wederrechtelijk een politieauto met kenteken [kenteken 2] , die aan een ander, te weten aan de politie Haaglanden te Leidschendam-Voorburg, toebehoorde heeft beschadigd;
Dagvaarding II
zij op 6 november 2025 te Leidschendam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 2 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, en in aanvulling daarop de gedragsinterventie leefstijl training. De officier van justitie heeft verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen gevorderd voor de duur van 12 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de verschillende feiten op de tenlastelegging grotendeels zien op één grote gebeurtenis en dat de verdachte ten tijde van de feiten niet goed bij zinnen was door haar lachgasverslaving, maar zich nu goed realiseert wat er misgaat. De verdachte heeft inmiddels hulp gekregen voor haar verslaving en wil zelf ook verdere hulp. De raadsvrouw ziet daarin ook het nut van een voorwaardelijk strafdeel. Tegen de dadelijke uitvoerbaarheid van eventuele bijzondere voorwaarden heeft de verdediging dan ook geen bezwaren.
De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen vanwege de extra moeilijkheden die dat geeft bij het verkrijgen van een VOG, die tegenwoordig voor vele banen noodzakelijk is.
Ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte al onder controle staat van een psychiater van het CBR, welke instantie erom bekend staat zeer streng te zijn in de beoordeling van de rijvaardigheid van personen. Van het CBR zou de verdachte inmiddels een tijdelijk rijbewijs hebben verkregen. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat in een eerder stadium het rijbewijs niet is ingehouden door het Openbaar Ministerie, waardoor haar niet duidelijk is waarom dat nu dan wel nodig zou zijn. Bovendien moet de verdachte voor haar werk in de zorg op onregelmatige tijden naar moeilijk bereikbare plekken, waarvoor het openbaar vervoer niet toereikend is, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 17 november 2025 in een poging om aan de politie te ontkomen tijdens een achtervolging schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Zij heeft in ernstige mate de verkeersregels geschonden door onder meer stoptekens van de politie te negeren, door rood licht te rijden, over de stoep en het fietspad te rijden, andere weggebruikers af te snijden en aanzienlijk harder te rijden dan was toegestaan. Ook is zij met haar auto tegen een stilstaande politieauto (met daarin een agent) gereden, waardoor schade aan die politieauto is ontstaan. De verdachte heeft zich tijdens de achtervolging bovendien schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door met haar auto in te rijden op een (als zodanig herkenbare) politieagent, die opzij moest springen. Door haar gedragingen heeft de verdachte de betreffende politieagent in gevaar gebracht en een inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke en lichamelijke integriteit. Het feit dat deze agent geen letsel heeft opgelopen, is een omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is, maar uitsluitend aan de snelle reactie van de betreffende politieagent zelf.
Door haar handelswijze heeft de verdachte de betrokken politieambtenaren en andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Dat de dollemansrit zonder ernstige ongelukken of schade bij andere weggebruikers is geëindigd, is te danken aan de samenwerking van de betrokken politie-eenheden. Dat de verdachte waarschijnlijk in een staat van psychische decompensatie verkeerde door het overmatige gebruik van lachgas, doet aan de ernst van de feiten niet af.
Op 6 november 2025 heeft de verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van twee kilo lachgas in haar auto. De verdachte werd met een ballon aan haar mond aangetroffen in haar auto met twee lachgastanks op de achterbank, waarvan er één geheel leeg was. De verdachte was niet aanspreekbaar en de ramen waren beslagen. Door lachgas te gebruiken in haar auto heeft de verdachte het onaanvaardbare risico genomen dat zij onder invloed van dat middel met haar auto de weg op zou gaan. Dat levert niet alleen een enorm gevaar voor zichzelf op, maar ook voor andere weggebruikers. Dat rekent de rechtbank de verdachte zeer aan. Door het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid lachgas heeft de verdachte bovendien bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit dat doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, met alle nadelige maatschappelijke gevolgen van dien, niet op de laatste plaats de gezondheidsschade voor de (veelal verslaafde) gebruikers van die drugs. Dat die gezondheidsschade een reëel risico is, blijkt ook uit de omstandigheid dat het overmatige lachgasgebruik bij de verdachte tot blijvende zenuwschade heeft geleid.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026, waaruit volgt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 1 september 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van middelengebruik en het psychosociaal functioneren. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De verdachte kampt met een lachgasverslaving. Ze gebruikte het middel om met tegenslagen in haar persoonlijke leven om te gaan en werd afhankelijk, echter leidde overmatig gebruik bij haar tot psychische decompensatie en verwardheid. Als de verdachte lachgas gebruikt staat zij afwijzend tegenover hulpverlening en komt ze niet op afspraken, wat het recidiverisico verhoogt. Wanneer zij niet gebruikt staat zij welwillend tegenover hulpverlening. Sinds mei 2026 is er sprake van korte periodes van terugval in het middelengebruik. De reclassering heeft gezien de aanhoudende verslavingsproblematiek, met meerdere terugvallen en een kortdurende opname, een langdurige klinische opname overwogen, mede doordat de ambulante behandeling niet goed van de grond kwam. De verdachte heeft echter duidelijk aangegeven niet mee te willen werken aan een langdurige klinische opname. Omdat er ook geen sprake is van een lange ambulante behandelgeschiedenis of een dermate hoog recidiverisico dat een langdurige klinische opname de enige mogelijkheid is, adviseert de reclassering de ambulante behandeling voort te zetten met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname indien sprake is van een terugval of psychische decompensatie. Daarnaast adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarden een gedragsinterventie die is gericht op het inzicht geven in middelengebruik en het daarbij horende gedrag, het meewerken aan middelencontroles en een meldplicht. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte haar een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de hiervoor beschreven bijzondere voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank met de verdachte gesproken over haar persoonlijke omstandigheden. Daaruit volgt dat zij behoefte heeft aan verdere behandeling. Zij gebruikt antipsychotica, wat helpt met het slapen en rustig worden. De verdachte heeft op dit moment geen werk en heeft ook geen andere dagbesteding. Zij is in mei van dit jaar opgenomen geweest bij [zorginstantie] en daarna is zij nog twee keer teruggevallen. In augustus 2026 heeft zij dit op eigen initiatief gemeld bij de reclassering. Zij start medio september met haar eerste bijeenkomst van de leefstijltraining waarvoor zij is aangemeld door de reclassering. Daar staat zij positief in. Op dit moment woont zij tijdelijk bij haar familie, waar ze niet mag gebruiken en waar ook strenge regels gelden. De verdachte heeft een tijdelijk rijbewijs gekregen na controle door een psychiater van het CBR, maar rijdt op dit moment nog geen auto in afwachting van de afloop van deze strafzaak.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS). Daarin is als uitgangspunt voor een zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden vermeld. Omdat sprake is van een poging, wordt daar in beginsel een derde vanaf getrokken, wat zou resulteren in een uitgangspunt van ruim 4,5 maand. In strafverzwarende zin wordt meegewogen dat de poging tot zware mishandeling was gericht tegen een slachtoffer in het kader van de uitoefening van zijn werk in het publieke domein, te weten het handhaven van de orde en de veiligheid als politieagent. Voor het aanwezig hebben van 500 tot 2.500 gram softdrugs wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uur genoemd.
In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat zij gemotiveerd is haar lachgasverslaving onder controle te krijgen en te werken aan de onderliggende problematiek, en dat zij daarin – ondanks haar terugvallen – ook stappen vooruit lijkt te maken. In dat licht acht de rechtbank het niet wenselijk de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan het ondergane voorarrest. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden volstaan met een taakstraf.
De rechtbank acht het passend en geboden een flink voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daaraan de nader te noemen bijzondere voorwaarden te verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het argument van de verdediging dat de verdachte onder (strenge) controle staat van het CBR, is de verslavingsproblematiek van de verdachte op dit moment nog niet opgelost en lijkt ook het probleeminzicht op dit moment nog beperkt. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de aanwezige risico’s op dit moment nog te groot om de verdachte als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te laten deelnemen. Zij zal aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig van na te melden duur opleggen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden, met aftrek van de 61 dagen voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie middelengebruik, een gedragsinterventie leefstijl interventie, een inspanningsverplichting voor het vinden van dagbesteding, een verplichte ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname en controles op het middelengebruik, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten [verbalisant 3] en alle andere verkeersdeelnemers die zich in de nabijheid bevonden ten tijde van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde.
Gelet op de omstandigheid dat de problematiek van de verdachte omtrent haar middelengebruik nog niet is opgelost, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom dergelijke misdrijven zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, nu de verdachte haar vrijheid na de einduitspraak niet zal worden ontnomen.
7 De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard, omdat met behulp daarvan alle ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 STK Personenauto (Kenteken: [kenteken 1], Kleur: Zwart, Merk: Nissan, Omschrijving: Bouwjaar 2005), verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Ten tijde van de inbeslagname had de auto een restwaarde van slechts € 1.300,-. Bovendien heeft de verdachte sindsdien een nieuwe auto gekocht.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2, primair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
ten aanzien van dagvaarding II:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich uiterlijk binnen 3 (drie) werkdagen na het uitspreken van dit vonnis meldt bij SVG Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Ambulant Centrum Fivoor, de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en/of andere problematiek. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit in het kader van een procedure op grond van artikel 6:6:19 Sv door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 (zeven) weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7, bestaande uit leefstijltraining, verzorgd door de reclassering, of aan een andere gedragsinterventie, te bepalen door de reclassering, die is gericht op verslaving/middelengebruik, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de reclassering aan haar worden gegeven;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in de lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek dan wel een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, dat bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde voorts tot:
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig, voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto (Kenteken: [kenteken 1], Kleur: Zwart, Merk: Nissan, Omschrijving: Bouwjaar 2005).
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I
1
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [verbalisant 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid in de richting van die (zich op de weg bevindende) [verbalisant 1] te rijden, waardoor die [verbalisant 1] weg moest springen en/of opzij moest stappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid in de richting van die (zich op de weg bevindende) [verbalisant 1] te rijden, waardoor die [verbalisant 1] weg moest springen en/of opzij moest stappen;
2
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [verbalisant 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid in de richting van die (zich op de weg en/of het fietspad bevindende) [verbalisant 3] te rijden, waardoor die [verbalisant 3] weg moest springen en/of opzij moest stappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg [verbalisant 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid in de richting van die (zich op de weg en/of het fietspad bevindende) [verbalisant 3] te rijden, waardoor die [verbalisant 3] weg moest springen en/of opzij moest stappen;
3
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Nissan met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, te weten de Charlotte van Pallandtlaan en/of de Kersengaarde en/of de Monseigneur van Steelaan en/of de N14 en/of de snelweg A4, althans op de openbare weg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- met hoge, althans aanmerkelijke, en/of voor de situatie te hoge snelheid over die weg(en) te rijden en/of
- ( daarbij) een of meer stoptekens van de politie te negeren en/of
- ( daarbij) meermalen, althans eenmaal, een voor haar rood uitstralend verkeerslicht te negeren en/of
- ( daarbij) plotseling te remmen (waardoor ander verkeer werd gehinderd en/of
- ( daarbij) over het fietspad te rijden en/of
- ( daarbij) meermalen, althans eenmaal, in de richting van één of meer voor haar op de weg bevindende personen te rijden en/of
- ( daarbij) over het trottoir te rijden en/of
- ( daarbij) (een) ander(e) voertuig(en) af te snijden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
4
zij op of omstreeks 17 november 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk en wederrechtelijk een politieauto met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam] en/of de politie Haaglanden te Leidschendam-Voorburg, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Dagvaarding II
zij op of omstreeks 6 november 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk aanwezig heeft gehad 2 kilogram, althans 2 cilinders, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Bijlage II
Beslaglijst