RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/012395-26; 16/005116-26 (t.t.z. gevoegd); 16/008543-26 (t.t.z. gevoegd); 16/296629-25 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. L.A. Lepoutre;
-
de advocaat van de verdachte: mr. M. Aygün (hierna: de advocaat).
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
parketnummer 16/012395-26
feit 1
primair
op 3 oktober 2025 in Harmelen, als bestuurder van een personenauto op de A12 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door met een snelheid van 160 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, te rijden, zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, niet op tijd of voldoende af te remmen of uit te wijken voor een voor hem rijdende vrachtwagen en vervolgens in botsing te komen met voornoemde vrachtwagen, waardoor [slachtoffer] is overleden, terwijl hij (verdachte) onder invloed was van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen,
subsidiair
op 3 oktober 2025 in Harmelen op de hiervoor beschreven manier in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
meer subsidiair
op 3 oktober 2025 in Harmelen op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
feit 2
primair
op 3 oktober 2025 in Harmelen onder invloed van cannabis (THC) en lachgas een auto heeft bestuurd;
subsidiair
op 3 oktober 2025 in Harmelen een auto heeft bestuurd onder invloed van cannabis (THC) en lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen;
parketnummer 16/005116-26
op 6 januari 2026 in Utrecht opzettelijk 12 kilogram lachgas aanwezig heeft gehad;
parketnummer 16/008543-26
op 10 januari 2026 opzettelijk 5,940 kilogram lachgas aanwezig heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit en feit 2 onder parketnummer 16/012395-26 heeft gepleegd. Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 1 primair), gaat de officier van justitie uit van roekeloosheid. Ook stelt de officier van justitie dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten onder de parketnummers 16/005116-26 en 16/008543-26 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 16/012395-26 heeft de advocaat vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair en onder feit 2 ten laste gelegde. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar te hard heeft gereden, maar dat de verkeersregels daardoor niet in ernstige mate zijn geschonden. Daarnaast meent de advocaat dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de auto heeft bestuurd onder invloed van lachgas of THC. De advocaat refereert zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de feiten tenlastegelegd onder de parketnummers 16/005116-26 en 16/008543-26 voert de advocaat geen verweer over het bewijs.
De standpunten van de advocaat worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat feit 2 onder parketnummer 16/012395-26 (rijden onder invloed van drugs op 3 oktober 2025) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hieronder in de bewijsoverwegingen uit waarom.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair onder parketnummer 16/012395-26 (het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op 3 oktober 2025) is bewezen. De rechtbank legt hieronder in de bewijsoverwegingen uit waarom. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De rechtbank oordeelt voorts dat de feiten onder de parketnummers 16/005116-26 en 16/008543-26 (het opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op 6 en 10 januari 2026) zijn bewezen. De verdachte heeft deze feiten bekend, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank heeft in bijlage II daarom slechts naar de bewijsmiddelen verwezen.
Bewijsoverwegingen
Parketnummer 16/012395-26, feit 1 – het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval op 3 oktober 2025
Inleiding
Op 3 oktober 2025 omstreeks 05:21 uur heeft er op de Rijksweg A12 ter hoogte van Harmelen een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit verkeersongeval waren twee voertuigen betrokken, een vrachtwagen met oplegger en een personenauto. In de personenauto zaten drie personen, de verdachte, [A] (hierna: [A] ) en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Beide voertuigen reden op de A12 in dezelfde richting, waarschijnlijk op de meest rechter rijbaan (rijstrook 4). De maximaal toegestane snelheid op die weg was op dat moment 130 km/uur. Uit de verkeersanalyse is gebleken dat de personenauto tussen hectometerpaal 52,5 en 52,6 met de rechter voorzijde tegen de linker achterzijde van de vrachtauto is gebotst. Vervolgens is de personenauto ongeveer 524 meter verderop aan de rechterzijde van de snelweg in de grasberm tot stilstand gekomen. Als gevolg van dit verkeersongeval is [slachtoffer] twee dagen later, op 5 oktober, in het ziekenhuis overleden. Uit het schouwverslag volgt dat het zeer waarschijnlijk is dat [slachtoffer] , anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, ten tijde van het ongeval een autogordel droeg, Uit het onderzoek naar de elektronische regeleenheden van de personenauto is gebleken dat deze reed met een geregistreerde voertuigsnelheid van 149 km/uur ten tijde van de botsing of vlak daarna.
Uit het voertuigenonderzoek volgt verder dat het aannemelijk is dat de vrachtwagen verlichting voerde ten tijde van het ongeval en dat de toedracht van het verkeersongeval niet was gelegen in de weersgesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan één of beide voertuigen of een combinatie daarvan.
Na het ongeval is de politie ter plaatse gekomen en heeft er forensisch onderzoek plaatsgevonden. Door de forensische opsporing werden er naast de personenauto twee dozen met cilinders met lachgas aangetroffen. Achter de bestuurderstoel werd een derde doos met een cilinder lachgas aangetroffen. Op de vloer bij de bestuurdersstoel lagen meerdere (uitgelubberde) zwarte ballonnen. In de zak van het vest van de verdachte werden bij de fouillering twee geopende plastic zakken met zwarte ballonnen aangetroffen. De verdachte heeft na het ongeval meegewerkt aan een bloedonderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de verdachte een hoeveelheid van 1,2 microgram THC in zijn bloed had. De, grenswaarde bij enkelvoudig gebruik is 3,0 microgram en bij combinatiegebruik 1,0 microgram THC per liter bloed.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij later heeft begrepen dat hij de bestuurder van de personenauto was, maar dat hij zich niets kan herinneren over de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden of wat er aan het ongeval vooraf is gegaan. Hij heeft verder verklaard die avond geen lachgas te hebben gebruikt.
Juridisch kader
De rechtbank staat voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Om deze schuld te bewijzen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Bij de vaststelling van de mate waarin de verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt in de rechtspraak onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, zeer onvoorzichtig en/of onoplettend en roekeloos rijgedrag.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar is veroorzaakt, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, of had moeten zijn. Artikel 175 WVW lid 2, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, bepaalt dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het verkeersgedrag van de verdachte ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. Dit artikel verbiedt verkeersdeelnemers om opzettelijk de verkeersregels zodanig te schenden, dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te verwachten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft".
Beoordeling
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte die nacht de bestuurder van de personenauto was. Verdachte wordt verweten dat hij het verkeersongeval heeft veroorzaakt terwijl hij 160 kilometer per uur reed. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de ten laste legging vrijspreken, omdat het wettig en overtuigend bewijs voor deze snelheid ontbreekt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aanrijding heeft plaatsgevonden met een snelheid van minimaal 149 km/uur. Door de forensische opsporing is over deze snelheid opgemerkt dat dit een ondergrens betreft, omdat storingscodes pas worden opgeslagen als een technisch mankement wordt geregistreerd en dat dit hoogstwaarschijnlijk pas na de botsing is gebeurd. De politie heeft aan de hand van gegevens van een ANPR-camera proberen vast te stellen hoe hard de personenauto van verdachte reed voorafgaand aan de aanrijding. In het dossier bevindt zich een berekening die uitkomt op een gemiddelde snelheid van 160,31 kilometer per uur over een traject van 6,19 kilometer. Ter zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat deze berekening niet juist is en een aangepaste snelheidsberekening toegelicht. Op basis van deze aangepaste berekening zou de auto van verdachte gedurende de 6,3 kilometer voorafgaand aan de plaats van het ongeval met een gemiddelde snelheid van 141,39 km/u hebben gereden. De rechtbank volgt de berekening van de officier van justitie en concludeert op basis hiervan dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval gedurende een langere periode te hard heeft gereden. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet in staat is geweest zijn snelheid tijdig te regelen of voldoende heeft weten af te remmen om een botsing te voorkomen en dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval is overleden.
De rechtbank overweegt verder dat het ongeval op een recht stuk van de snelweg heeft plaatsgevonden en dat het ten tijde van het ongeval – gelet op het tijdstip en de foto’s in het dossier van vlak na het ongeval – zeer rustig was op de weg, dat de straatverlichting werkte en dat de vrachtwagen groot en wit van kleur was, en daardoor dus goed zichtbaar moet zijn geweest. De omstandigheden dat de verdachte voor langere periode de maximale snelheid heeft overschreden en verder niet in staat is geweest zijn snelheid tijdig te regelen of voldoende af te remmen, leiden volgens de rechtbank tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte substantieel afwijkt van het gedrag dat in dit geval van een voorzichtig verkeersdeelnemer mag worden verwacht. De rechtbank kwalificeert deze combinatie van gedragingen als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, zijn deze omstandigheden niet toereikend voor het oordeel dat de verdachte "roekeloos" in voornoemde zin heeft gereden, zodat de verdachte van dat deel van de beschuldiging zal worden vrijgesproken
Hoewel de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en hetgeen er in de auto is aangetroffen vragen oproepen over de toedracht van het ongeval en of de bestuurder onder invloed van lachgas was ten tijde van het ongeval, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte voor of tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt. Het dossier bevat geen informatie over wat zich vlak voor het ongeval heeft afgespeeld en op de zitting is die informatie ook niet naar voren gekomen. In de auto waarin de verdachte reed, zijn weliswaar een aantal lachgas cilinders aangetroffen, maar deze bevonden zich alle drie nog in een doos. Dat één van deze lachgascilinders recent was gebruikt kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Daarnaast zegt ook het aantreffen van (uitgelubberde) ballonnen niets over waar, wanneer en door wie deze ballonnen zijn gebruikt. De rechtbank vindt dan ook niet dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte heeft gereden onder invloed van drugs.
De omstandigheid dat er een THC-waarde van 1,2 microgram per liter bloed bij de verdachte is aangetroffen, maakt dat niet anders, omdat het gehalte onder de grenswaarde ligt voor enkelvoudig gebruik. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de verdachte daardoor niet in staat was tot het behoorlijk besturen van een voertuig.
Er zijn ook geen aanknopingspunten die maken dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8 lid 1 WVW. Voor een veroordeling voor dit artikel is beslissend of uit het bewijs kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van stof(fen) verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Hoewel voor een bewezenverklaring van dit artikel niet relevant is wat de waarden in het bloed van de verdachte zijn, moet uit de bewijsmiddelen wel blijken om welke stof(fen) het gaat. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat (i) verdachte (ook) onder invloed van lachgas was, en (ii) het afwijkend rijgedrag van de verdachte samenhangt met het onder invloed zijn van stoffen als bedoeld in artikel 8 lid 1 WVW. Hieraan kunnen immers vele oorzaken ten grondslag liggen. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan, dan dat het rijgedrag samenhangt met het onder invloed zijn van stoffen.
De verdachte zal ook van dit deel van de beschuldiging worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primaire feit.
Feit 2 – rijden onder invloed van drugs op 3 oktober 2025
De rechtbank vindt, gelet op het hiervoor overwogene, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder invloed van lachgas een auto heeft bestuurd. Nu de gemeten THC-waarde uit het bloedonderzoek onder de grenswaarde ligt van enkelvoudig gebruik, kan ook niet bewezen worden dat deze stof invloed heeft gehad op de rijvaardigheid van verdachte. De verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
parketnummer 16/012395-26
feit 1 primair
op 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Autosnelweg A12,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,- met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, te rijden en- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor een voor hem rijdende vrachtwagen en- (vervolgens) in botsing te komen met voornoemde vrachtwagen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
parketnummer 16/005116-26
op 6 januari 2026 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 12 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
parketnummer 16/008543-26
op 10 januari 2026 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 5940 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
parketnummer 16/012395-26
feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
parketnummer 16/005116-26
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
parketnummer 16/008543-26
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
-
een gevangenisstraf van 5 jaar;
-
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 5 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest.
Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte gevorderd bij de einduitspraak.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Verder vraagt de advocaat in de strafmaat rekening te houden met de impact die het ongeval op de verdachte heeft gehad en zijn kwetsbare positie. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkeling, die de verdachte sinds maart 2026 doormaakt, kunnen doorbreken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 15 september 2026. Tot slot legt de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van rijbevoegdheid van 2 jaar op, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een zeer ernstig verkeersongeval op de A12 door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte heeft gedurende een langere periode harder gereden dan ter plaatse was toegestaan en kon niet op tijd remmen of uitwijken, waardoor hij tegen een voor hem rijdende vrachtwagen is gebotst. De personenauto waarin verdachte reed is zwaar beschadigd aangetroffen in een sloot naast de weg. Achterin het voertuig werd slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen. Hij is op [2025] overleden als gevolg van de verwondingen ten gevolgde van het ongeval. De andere passagier ( [A] ) heeft als gevolg van het ongeval letsel aan de nek bekomen maar heeft het ongeval overleefd.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 6 en 10 januari 2026 schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van lachgas.
De verdachte heeft met zijn verkeersgedrag laten zien dat hij tekortschiet in zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid op de weg. Daarnaast ontbreekt het besef van de grote risico’s die het gedrag van de verdachte met zich meebrengt voor andere weggebruikers en de algemene verkeersveiligheid. Door de schuld van verdachte is [slachtoffer] , die op dat moment pas achttien jaar oud was, overleden. Het daarmee veroorzaakte leed voor de nabestaanden is zeer ingrijpend en onherstelbaar.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. Daaruit blijkt dat hij in november 2025 is veroordeeld voor het handelen in harddrugs. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende mee omdat hiermee voor wat betreft het voorhanden hebben van lachgas op 6 en 10 januari 2026 sprake is van recidive. Verdachte liep ten tijde van het plegen van deze feiten daarnaast in een proeftijd.
Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wat zich precies in de auto heeft afgespeeld voorafgaand aan het ongeval, schept de situatie dat er lachgascilinders en ballonnen zijn aangetroffen in de personenauto na het ongeluk en het feit dat de verdachte daarna ook nog meerdere keren in een auto is aangetroffen met lachgas, een zorgelijk beeld. Ook de vele registraties van de verdachte na het ongeval van 3 oktober 2025 dragen hieraan bij. Hieruit blijkt dat de verdachte na het dodelijke ongeval met zijn auto nog vijf keer betrokken is geweest bij verkeersongevallen. Vanaf 4 juni 2025 is verdachte in totaal acht keer betrokken geweest bij aanrijdingen.
Op de zitting heeft de verdachte daarentegen ook spijt betuigd, wat op de rechtbank oprecht is overgekomen
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van GGZ Reclassering Inforsa Utrecht van 15 september 2026. Daaruit volgt dat er sprake is van een negatief sociaal netwerk, schuldenproblematiek en middelengebruik. De reclassering ziet dit als risicofactoren voor herhaling van delictgedrag. Verder blijkt uit het rapport dat de verdachte moeite heeft met het overzien van de consequenties van zijn handelen en maakt hij een kwetsbare en mogelijk beïnvloedbare indruk op de reclassering. Gelet op de risico’s ziet de reclassering aanknopingspunten om bij een voorwaardelijke veroordeling interventies in te zetten, om zo meer stabiliteit te realiseren. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, hulp bij dagbesteding, aflossing van zijn schulden en beheersing van zijn middelengebruik. De reclassering ziet enige bezwaren tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat deze het risico op criminogene beïnvloeding kan vergroten. Voor het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf of financiële sancties ziet de reclassering geen zwaarwegende contra-indicaties.
Strafkader
Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de ernst van de gedragingen van de verdachte en op uitspraken in vergelijkbare zaken.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het aanwezig hebben van lachgas bestaan geen oriëntatiepunten. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld en waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen, wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar als uitgangspunt genomen.
De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt. Uit de omstandigheid dat het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval de verdachte er niet van heeft weerhouden nieuwe verkeersincidenten te veroorzaken, maakt de rechtbank op dat de verdachte de ernst van zijn gedragingen niet voldoende inziet. De verdachte wekt hiermee de indruk dat hij nog steeds niet geleerd heeft zijn volle aandacht bij de weg te houden en zich te houden aan de verkeersregels, met alle (mogelijke) gevolgen van dien. Dit vindt de rechtbank kwalijk en baart de rechtbank zorgen. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin ook mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een drugsgerelateerd feit. Het bezit van lachgas is bovendien sinds een aantal jaar een groeiend probleem in Nederland. Het draagt bij aan de toenemende druk op de gezondheidszorg, werkt criminaliteit en overlast in de hand en heeft negatieve gevolgen voor het milieu. Het handelen van de verdachte draagt bij aan de instandhouding van deze problematiek. Het vervoeren van lachgas - zonder de hiervoor vereiste certificaten en een geschikt vervoersmiddel - is daarnaast zeer gevaarlijk.
Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren passend. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de reclassering.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor de bescherming van de verkeersveiligheid nodig is om aan de verdachte een rijontzegging op te leggen. In het verkeersgedrag van verdachte, zoals hiervoor omschreven, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en de verdachte een rijontzegging op te leggen van 2 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Aan zowel de voorwaardelijke gevangenisstraf als de voorwaardelijke rijontzegging verbindt de rechtbank een proeftijd van 3 jaren. Het voorwaardelijke strafdeel dient mede als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Gelet op de eerdergenoemde opeenstapeling van verkeersincidenten acht de rechtbank een langere proeftijd dan de standaard 2 jaar passend.
In dit geval komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring (aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedrag) dan de officier van justitie (roekeloosheid), mede waardoor zij aan de verdachte ook een andere en lagere straf oplegt dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op de op te leggen straf wijst de rechtbank de vordering tot gevangenneming af.
6 In beslag genomen voorwerpen
Parketnummer 16/005116-26
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de inbeslaggenomen lachgascilinders te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal gelasten dat de in beslag genomen lachgascilinders worden onttrokken aan het verkeer. Het bewezen verklaarde feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan. Het voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
7 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De politierechter in Utrecht heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/296629-25 op 21 november 2025 een taakstraf van 15 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan
soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke straf ten uitvoer leggen.
8 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 onder parketnummer 16/012395-26 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair onder parketnummer 16/012395-26, het feit onder parketnummer 16/005116-26 en het feit onder parketnummer 16/008543-26 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
-
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;
-
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
-
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;
-
bepaalt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
-
stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte;
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte;
-
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6 te Utrecht;
- zich laat behandelen door FAZ Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen
door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- zich inspant voor het vinden en behouden van werk met een vaste structuur;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren;
-
bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, van 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
-
als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;
beslag in de zaak met parketnummer 16/005116-26
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- 6 STK Verdovende middelen (Omschrijving: PL0900-2026006281-3646208);
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf onder parketnummer 16/296629-25
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe;
vordering tot gevangenneming
- wijst af de vordering tot gevangenneming. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Opsteyn en mr. M. van Dinten als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/012395-26
Feit 1hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden, althans inNederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over deweg, Autosnelweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur, althans met een(aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, terijden en/of- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig totstilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien enwaarover deze vrij was en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet,althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor een voor hem rijdendevrachtwagen en/of- (vervolgens) in botsing en/of aanrijding te komen met voornoemde vrachtwagen,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte,verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde ofvijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden, althans inNederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over deweg, Autosnelweg A12,opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels inernstige mate werden geschonden, doorterwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde,vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994- met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur, althans met een(aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, terijden en/of- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig totstilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien enwaarover deze vrij was en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet,althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor een voor hem rijdendevrachtwagen en/of- (vervolgens) in botsing en/of aanrijding te komen met voornoemde vrachtwagen,terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een anderte duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden, althans inNederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over deweg, Autosnelweg A12,- met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur, althans met een(aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid,heeft gereden en/of- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig totstilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien enwaarover deze vrij was en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft geremd en/of niet,althans niet tijdig en/of voldoende heeft uitgeweken voor een voor hem rijdendevrachtwagen en/of- (vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen met voornoemdevrachtwagen,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;
Feit 2hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden, althans inNederland, een voertuig, te weten een personenauto voorzien van het kenteken[kenteken] , heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van eenof meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer,aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet1994, te weten Cannabis (THC), in combinatie met een of meer andere stoffen alsbedoeld in het eerste lid van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, die niet bijeerder genoemd Besluit zijn aangewezen, te weten lachgas, terwijl ingevolge eenonderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bijiedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 1,2 microgram THC per literbloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van hetgenoemd Besluit, bij iedere aangewezen stof afzonderlijk vermelde grenswaarde, incombinatie met andere niet aangewezen stoffen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Harmelen, gemeente Woerden, althans inNederland als bestuurder van een voertuig, (personenauto voorzien van hetkenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onderzodanige invloed van een stof, te weten cannabis (THC) en/of lachgas, waarvan hijwist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet incombinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid konverminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )in de zaak met parketnummer 16/005116-26hij op of omstreeks 6 januari 2026 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad
12 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
in de zaak met parketnummer 16/008543-26
hij op of omstreeks 10 januari 2026 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad5940 gram, althans een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas), een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
Bijlage II: Bewijsmiddelen 1
Een proces-verbaal aanrijding misdrijf, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Locatie ongeval
Datum/tijd: 3 oktober 2025 om 05:21 uurLocatienaam: A12 ter hoogte van Harmelen
Maximum snelheid: 130 km per uur2
Betrokken partijen
Betrokken 1 (voertuig)
Voertuig Personenauto [kenteken] Volkswagen Up!
Betrokken 2 (voertuig)
Voertuig Bedrijfsauto [kenteken] Volvo Fh3
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat de volgende auto onder aan deze afdaling stond:
- merk: Volkswagen
- type: Up
- kenteken: [kenteken]
Ik liep vervolgens naar het voertuig toe en zag dat er een jongeman naast de bestuurdersportier stond.4 Deze jongeman bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [2005] . Ik zag dat het gehele hoofd van [verdachte] onder het bloed zat. Ik zag toen dat er veel bloed zat op de stuurairbag, de bestuurdersstoel en dat er veel bloed aanwezig was op en rondom het bestuurdersportier.
Ik zag op de bijrijdersstoel een andere jongeman zitten, later bleek dit de volgende persoon te zijn: [A] , geboren op [2006] .
Vervolgens zag ik twee benen omhoog steken, ter hoogte van achterzijde van de
bestuurdersstoel. Ik zag vervolgens een bovenlichaam welke deels verdween onder de
bijrijdersstoel. Later bleek dit de volgende persoon te zijn [slachtoffer] , geboren op [2006] .5
Ik hoorde [verdachte] het volgende vragen: "Hoe zijn we hier beland?" Ik hoorde [A] vervolgens uit eigen beweging het volgende zeggen: "We zijn tegen een vrachtwagen gereden, jij reed man."6
Een schouwverslag betreffende [slachtoffer] van [2025] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Cliënt: [slachtoffer]
Geboren op: [2006] te [geboorteplaats]
Overlijdensdatum: [2025]7
Ernstig trauma van hart, longen en hersenen ten gevolge van een ernstig auto-ongeval. Is uiteindelijk na twee dagen door hersenzwelling met inklemming overleden. Letsels zijn allen gerelateerd aan het ongeval.
Conclusie: dood door auto-ongeval met ernstig neurotrauma.8
Een proces-verbaal FO Verkeer, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende:
- de Rijksweg A12 was voor het openbaar verkeer opengesteld;
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 130 km/u als gevolg van artikel 21 onder a van het RVV 1990.9
Lichtgesteldheid
Wij zagen bij onze komst ter plaatse dat:
-
op de plaats van het verkeersongeval straatverlichting aanwezig was;
-
deze straatverlichting in werking was. 10
Forensisch voertuigonderzoek
Vrachtauto
Met betrekking tot de verlichting zag ik het volgende:
-
de verlichtingsschakelaar stond tijdens ons onderzoek op de plaats van het verkeersongeval ingeschakeld op de stand positieverlichting;
-
de contourverlichting van de vrachtauto straalde licht uit;
-
het achterlicht aan de rechterachterzijde van de vrachtauto straalde licht uit;
-
door de schade aan de linker achterlichtunit was het voor ons niet meer mogelijk om vast te stellen of deze naar behoren functioneerde.
Wij zagen dat er vier verschillende standen voor de verlichting aanwezig waren en dat bij alle vier de standen het licht aan de rechterachterzijde licht uitstraalde.
Wij zagen op het binnenwerk van de verlichting aan de linker achterzijde dat er meerdere lampen beschadigd waren of ontbraken. Hoogstwaarschijnlijk was dit door de botsing met de Volkswagen veroorzaakt.11
Onderzoek ritregistratie tachograaf vrachtauto
Ik zag dat de klok van de tachograaf ongeveer 1,32 seconden achter liep ten opzichte van de werkelijke tijd.12
In acht dient te worden genomen dat tachograafdata in UTC-tijd wordt geregistreerd en daarmee in de zomertijd periode 2 uur afwijkt van de actuele tijd. Derhalve komt een tijd van 05:23.00 uur (werkelijke tijd) overeen met een tijd van 03:23.00 uur in de opgeslagen tachograaf data.13
Hieruit bleek mij dat de geregistreerde versnelling van de vrachtauto van 82 km/u naar 83 km/u om 03:20:46.5 uur (UTC-tijd) het moment van de botsing met de Volkswagen betrof.14
Interpretatie van het onderzoek
Op 3 oktober 2025 omstreeks 05:20 uur, had op de Rijksweg A12 Li tussen hectometerpalen 52,5 en 52,6, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Harmelen in de gemeente Woerden een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de vrachtauto en Volkswagen betrokken waren.
Beide voertuigen reden op de Rijksweg A12 Links, komende uit de richting van Utrecht en gaande in de richting van Woerden. In de Volkswagen zaten drie inzittenden. Tussen hectometerpaal 52,5 en 52,6, waarschijnlijk op rijstrook vier, is de Volkswagen met de rechter voorzijde tegen de linker achterzijde van de vrachtauto gebotst. Vervolgens is de Volkswagen ongeveer 524 meter verderop aan de rechterzijde in de grasberm tot stilstand gekomen.
Als gevolg van dit verkeersongeval is een van de inzittenden van de Volkswagen op zondag 5 oktober in het ziekenhuis overleden.
Uit onderzoek naar de tachograafdata van de vrachtauto is naar voren gekomen dat de vrachtauto voorafgaand aan de aanrijding reed met een constante snelheid van ongeveer 82 km/u en dat er een versnelling van 1 km/u geregistreerd werd op het moment van het verkeersongeval.
Op basis van ons voertuigonderzoek aan de vrachtauto is het aannemelijk dat deze verlichting voerde ten tijde van het verkeersongeval.
Uit ons onderzoek is gebleken dat de toedracht van het verkeersongeval niet was gelegen in de weersgesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan één of beide voertuigen of een combinatie van vorenstaande.15
Een proces-verbaal forensisch voertuigonderzoek, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit het uit lezen van de storingscodes van de elektronische regeleenheden bleek dat de 'crash' was geregistreerd op 3 oktober 2025, te 04:56:09 (de rechtbank merkt op dat deze tijd mogelijkerwijs afwijst van de UTC-tijd). Bij de storingscodes waren onder andere de volgende voertuigomstandigheden ten gevolge van het verkeersongeval opgeslagen:· De 'Crash Shut-down' was geactiveerd;· Diverse passieve veiligheidssystemen waren geactiveerd;· Er was 'Front-crash data' opgeslagen;· Er was een voertuig snelheid van 149,19 km/u geregistreerd.Omdat storingscodes meestal worden opgeslagen bij een technisch mankement na bijvoorbeeld een aanrijding, dient de geregistreerde snelheid als ondergrens te worden beschouwd.16
9.1.1. Parketnummer 16/005116-26
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:17
-
de verklaring van de verdachte op de zitting van 24 september 2026;
-
een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de aanhouding van verdachte en het onderzoek naar de lachgascilinders.18
9.1.2. Parketnummer 16/008543-26
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:19
-
de verklaring van de verdachte op de zitting van 24 september 2026;
-
een proces-verbaal van bevindingen inhoudende de aanhouding van verdachte en het onderzoek naar de lachgascilinders.20