Artikelen 673-676

Artikel 673

Indien de notaris nodig oordeelt de te beschrijven zaken zelf in ogenschouw te nemen, zijn de artikelen 444, 444a en 444b, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 674

De boedelbeschrijving zal bevatten:

  1. naam, voornaam en woonplaats van de verschenen of opgeroepen partijen en van de aangewezen schatters;

  2. een korte beschrijving van alle tot de boedel behorende goederen en schulden en, zo een der partijen zulks wenst, een schatting van de waarde van de roerende zaken door een of meer door partijen aan te wijzen schatters met hun beëdiging;

  3. een opgave van de plaats waar de beschreven zaken zich bevinden, of waarheen zij zijn overgebracht;

  4. een opgave van tot de boedel behorende geldsommen;

  5. een opgave van de aangetroffen boeken en registers betreffende de boedel, die op de eerste en laatste bladzijden worden gewaarmerkt, ingeval van een notariële beschrijving door de notaris en ingeval van een onderhandse beschrijving door de partijen;

  6. vermelding van de akten die op de goederen en de schulden van de boedel betrekking hebben;

  7. ingeval van een notariële beschrijving: vermelding van de eed, af te leggen in handen van de notaris, van hen die vóór de beschrijving de goederen in hun macht hadden of het huis waarin deze zich bevinden bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, noch gezien hebben, noch weten dat iets verduisterd is.

Artikel 675

Indien partijen het niet eens worden over de aanwijzing van de schatters, worden deze benoemd door de notaris of in geval van een onderhandse boedelbeschrijving, door de in artikel 672 bedoelde kantonrechter.

Artikel 676

Geschillen die in verband met een verzegeling, ontzegeling of boedelbeschrijving rijzen, worden in kort geding gebracht voor de voorzieningenrechter van de rechtbank in welker rechtsgebied de verzegeling is geschiedt of de te beschrijven boedel zich geheel of grotendeels bevindt.

Artikel 676a

Geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet staat open tegen beschikkingen ingevolge:

  1. artikel 25, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  2. artikel 77 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  3. artikel 143 lid 1, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  4. artikel 147, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  5. artikel 149, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  6. artikel 150 lid 2, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  7. artikel 157, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  8. artikel 164, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  9. artikel 173, derde zin, van van Boek 4 het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend;

  10. artikel 185 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

  11. artikel 185, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  12. artikel 191, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij maatregelen als in die bepaling bedoeld worden voorgeschreven;

  13. artikel 192, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  14. artikel 196, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  15. artikel 197, tweede lid, eerste zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  16. artikel 201, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  17. artikel 202, eerste lid, onder a, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  18. artikel 206, vijfde lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  19. artikel 211, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  20. artikel 215, tweede lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  21. artikel 218, eerste lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  22. artikel 221, tweede lid, eerste zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  23. artikel 223, eerste lid, tweede zin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek;

  24. artikel 226, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij een machtiging als in die bepaling bedoeld wordt verleend.

Artikel 676b

Van de beschikkingen van de rechter-commissaris ingevolge afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank toegelaten, behoudens voor zover het beschikkingen betreft waartegen, indien zij door de kantonrechter waren gegeven, geen hogere voorziening is toegelaten.