Artikel 5 septies Richtlijn grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersovertredingen (EU) 2015/413

Wederzijdse bijstand bij tenuitvoerleggingsactiviteiten

1.

De lidstaten verlenen elkaar bijstand bij de tenuitvoerlegging in geval van niet-betaling van een verkeersboete die is opgelegd voor het begaan van een in artikel 2, lid 1, genoemde verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding.

2.

Na de betekening van de kennisgeving van een verkeersovertreding aan de betrokkene en in geval van niet-betaling van een verkeersboete die is opgelegd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding, kan die bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf verzoeken om bijstand bij de tenuitvoerlegging van administratieve beslissingen over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen zoals genoemd in artikel 2, lid 1.

3.

Het in lid 2 bedoelde verzoek wordt slechts ingediend indien aan alle hierna vermelde voorwaarden is voldaan:

a) 

de beslissing over een verkeersboete is van administratieve aard, definitief en vatbaar voor tenuitvoerlegging overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving van de lidstaat van de overtreding;

b) 

de lidstaat van de overtreding beschikt over een bewijs van betekening aan de betrokkene van het verzoek tot betaling van de verkeersboete;

c) 

de betrokkene is in kennis is gesteld en heeft de gelegenheid gehad om gebruik te maken van de voorzieningen in rechte ten aanzien van de administratieve beslissing tot oplegging van een verkeersboete overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving van de lidstaat van de overtreding;

d) 

de verkeersboete is hoger dan 70 EUR.

4.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding zendt het verzoek zoals bedoeld in lid 2 via zijn nationaal contactpunt in elektronisch gestructureerde vorm toe aan de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf.

5.

Indien de betrokkene kan aantonen dat de verkeersboete is betaald, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding daarvan onverwijld in kennis.

6.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf erkent administratieve beslissingen inzake verkeersboetes die haar op grond van dit artikel zijn toegezonden, zonder dat verdere formaliteiten worden vereist, en neemt onverwijld de nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging ervan, tenzij die bevoegde autoriteit besluit een van de in lid 8 vermelde gronden voor niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging in te roepen.

7.

De tenuitvoerlegging van beslissingen inzake verkeersboetes wordt geregeld bij de wetten en voorschriften die van toepassing zijn in de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf.

8.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf kan weigeren een administratieve beslissing inzake een verkeersboete te erkennen en ten uitvoer te leggen. Zij doet dit slechts als zij een van de volgende problemen heeft vastgesteld:

a) 

de tenuitvoerlegging van de beslissing inzake een verkeersboete zou in strijd zijn met het „ne bis in idem”-beginsel;

b) 

het recht van de lidstaat van inschrijving of van de lidstaat van verblijf voorziet in immuniteit, waardoor het niet mogelijk is de administratieve beslissing inzake een verkeersboete ten uitvoer te leggen;

c) 

de beslissing inzake de verkeersboete is uit hoofde van het recht van de lidstaat van inschrijving of van de lidstaat van verblijf niet langer vatbaar voor tenuitvoerlegging wegens verjaring;

d) 

de beslissing inzake de verkeersboete is niet definitief;

e) 

de beslissing inzake de verkeersboete of althans de essentiële inhoud daarvan is niet vertaald zoals bepaald in artikel 5 ter;

f) 

het verzoek is onvolledig en kan door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de overtreding niet vervolledigd worden;

g) 

grondrechten of fundamentele rechtsbeginselen, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, worden geschonden.

Indien een verzoek wordt afgewezen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding daarvan in kennis, met opgave van de redenen voor de afwijzing.

9.

De geldsom die wordt verkregen uit de tenuitvoerlegging van een beslissing inzake een verkeersboete, komt toe aan de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf, tenzij anders overeengekomen tussen de lidstaat van de overtreding en de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf. Het bedrag wordt verworven in de valuta van de lidstaat van inschrijving of van de lidstaat van verblijf, naargelang welke van die twee lidstaten het verzoek heeft ontvangen.

10.

De leden 1 tot en met 9 van dit artikel laten de toepassing van Kaderbesluit 2005/214/JBZ of van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten onverlet, voor zover die overeenkomsten of regelingen bijdragen tot het verder vereenvoudigen en faciliteren van de procedures voor de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.

Geconsolideerde tekst van 19-01-2025 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.