Artikel 5 quater Richtlijn grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersovertredingen (EU) 2015/413

Wederzijdse bijstand bij het identificeren van de betrokkene

1.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de overtreding de betrokkene nog steeds niet met de door hun nationaal recht vereiste mate van zekerheid kunnen identificeren na alle andere hun ter beschikking staande middelen te hebben uitgeput, in het bijzonder na een geautomatiseerde zoekopdracht overeenkomstig artikel 4, lid 1, en na raadpleging van andere databanken waarvan de raadpleging uitdrukkelijk is toegestaan op grond van de Uniewetgeving en de nationale wetgeving, verlenen de lidstaten elkaar wederzijdse bijstand voor het instellen of voeren van de in artikel 5, lid 1, bedoelde vervolgprocedure.

2.

De lidstaten verlenen elkaar wederzijdse bijstand uit hoofde van dit artikel. Indien na de beoordeling van de omstandigheden van individuele gevallen echter wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 6 van Richtlijn 2014/41/EU is voldaan, mogen de lidstaten die door die richtlijn gebonden zijn, die uitsluitend onderling toepassen.

3.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding beslist om al dan niet om wederzijdse bijstand te verzoeken om de in lid 5 bedoelde aanvullende informatie te verkrijgen.

Een verzoek om wederzijdse bijstand mag enkel worden ingeleid door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding overeenkomstig het recht van die lidstaat.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding gebruikt de via wederzijdse bijstand verkregen gegevens om de identiteit vast te stellen van de persoon die persoonlijk aansprakelijk is voor de in artikel 2, lid 1, genoemde verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding die is begaan op het grondgebied van de lidstaat van de overtreding.

4.

Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding overeenkomstig lid 1 heeft besloten om wederzijdse bijstand te verzoeken, stuurt zij via haar nationale contactpunt een elektronisch gestructureerd verzoek naar het nationale contactpunt van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf.

5.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding kan de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf verzoeken:

a) 

de identiteit en het adres van de betrokkene vast te stellen, overeenkomstig het recht van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf, onder meer door gebruik te maken van nationale databanken, zoals rijbewijsregisters of bevolkingsregisters;

b) 

de houder, eigenaar of eindgebruiker van het voertuig waarmee de verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding is begaan te vragen informatie te verstrekken over de identiteit, het adres en, indien beschikbaar, andere nadere contactgegevens van de persoon die aansprakelijk is voor de verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding, overeenkomstig de nationale procedures van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf; die moeten worden toegepast alsof de betrokken onderzoeksmaatregel door de eigen autoriteiten van die lidstaat was gelast.

6.

Het elektronisch gestructureerd verzoek bevat de volgende informatie:

a) 

gegevens met betrekking tot de betrokkene die zijn verkregen via een geautomatiseerde zoekopdracht overeenkomstig artikel 4, lid 1;

b) 

indien beschikbaar, een door detectieapparatuur, met name snelheidscamera’s, gemaakte beeldopname van de bestuurder;

c) 

gegevens met betrekking tot de in artikel 2, lid 1, genoemde verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding;

d) 

gegevens met betrekking tot het voertuig waarmee de verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertreding is begaan;

e) 

een reden voor het verzoek om wederzijdse bijstand.

7.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van inschrijving of van de lidstaat van verblijf verzamelen onverwijld de in lid 5 bedoelde informatie, tenzij zij besluiten zich te beroepen op een van de in lid 8 genoemde weigeringsgronden, of het niet mogelijk is de gevraagde informatie te verzamelen.

Zonder onnodige vertraging en uiterlijk twee maanden na de dag waarop de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf de gevraagde informatie heeft verzameld, beantwoordt zij het verzoek langs elektronische weg via haar nationale contactpunt.

Bij het verzamelen van de gevraagde informatie neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de overtreding uitdrukkelijk gevraagde formaliteiten en procedures in acht, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met haar eigen nationale wetgeving.

8.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf kan weigeren de gevraagde aanvullende informatie als bedoeld in lid 5 te verstrekken. Zij doet dit slechts in een of meer van de volgende gevallen:

a) 

het recht van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf voorziet in een immuniteit of voorrecht, op grond waarvan die informatie niet mag worden verstrekt;

b) 

het verstrekken van de gevraagde informatie zou in strijd zou zijn met het „ne bis in idem”-beginsel;

c) 

het verstrekken van de gevraagde informatie zou een lopend onderzoek van een strafbaar feit in gevaar brengen;

d) 

het verstrekken van de gevraagde informatie zou in strijd zijn met of schade toebrengen aan de wezenlijke nationale veiligheidsbelangen van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf, de bron van de informatie in gevaar brengen of het gebruik van gerubriceerde informatie met betrekking tot specifieke inlichtingenactiviteiten meebrengen;

e) 

er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat het verstrekken van de gevraagde informatie onverenigbaar zou zijn met de verplichtingen van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

f) 

het verstrekken van de gevraagde informatie zou de veiligheid van een persoon in gevaar brengen of de identiteit onthullen van een persoon die wordt beschermd overeenkomstig het recht van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf.

Uiterlijk twee maanden na de dag waarop de bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf besluit een weigeringsgrond toe te passen, of vaststelt dat het niet mogelijk is de gevraagde informatie te verzamelen, stelt zij de lidstaat van de overtreding daarvan via haar nationale contactpunt in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van inschrijving of de lidstaat van verblijf kan in de gevallen zoals bedoeld in de eerste alinea, punten c), d) en f), besluiten niet te specificeren welke weigeringsgrond zij toepast.

Geconsolideerde tekst van 19-01-2025 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.