Art. 3:308 Burgerlijk Wetboek Boek 3
Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Recente uitspraken
Art. 3:308 BW is sinds 1999 in 257 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Arnhem-Leeuwarden, Hof 's-Hertogenbosch en Rb. Rotterdam.
- ECLI:NL:HR:2025:423 — 21-03-2025 Hoge Raad
Pensioenrecht. Verjaring (art. 3:308 BW). Tijdstip opeisbaar worden premievordering bedrijfstakpensioenfonds. Art. 26 Pw. Vervolg op HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:527. - ECLI:NL:HR:2022:1936 — 23-12-2022 Hoge Raad
Verjaring. Huwelijksvermogensrecht. Vergoedingsrecht uit hoofde van huwelijkse voorwaarden in verband met vermogensverschuiving tussen echtgenoten. HR 12 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2558. Art. 1:87 BW. Had hof i.p.v. aan verjaringstermijn van twintig jaar (art. 3:306 BW)… - ECLI:NL:HR:2016:1294 — 24-06-2016 Hoge Raad
Faillissementsrecht. Tweede faillissement. Aanvang verjaringstermijn van gedurende het eerste faillissement ontstane rentevorderingen (art. 3:308 BW). Vraag of deze vorderingen, die gedurende dat faillissement niet konden worden geverifieerd (art. 128 Fw), opeisbaar waren. - ECLI:NL:HR:2012:BW4992 — 10-08-2012 Hoge Raad
Consumentenkoop, verjaring vordering uit met koopovereenkomst samenhangende kredietovereenkomst. Verjaringstermijn van art. 7:28 BW mogelijk van toepassing; omstandigheden van het geval. - ECLI:NL:HR:2002:AE7347 — 01-11-2002 Hoge Raad
-
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.