Art. 3:124 Burgerlijk Wetboek Boek 3

Wanneer iemand een goed voor een ander houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt opgeëist, vindt hetgeen in de voorgaande vier artikelen omtrent de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander stond.

Recente uitspraken

Art. 3:124 BW is sinds 2002 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Den Haag, Hoge Raad en Rb. Gelderland.

  • ECLI:NL:HR:2002:AE2513 — 20-09-2002 Hoge Raad
    -
  • ECLI:NL:GHDHA:2015:2613 — 07-09-2015 Hof Den Haag
    In geschil is of de heffingsambtenaar de onder 3.4 vermelde aanslag (Hondenbelasting) terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:8233 — 25-11-2015 Rb. Gelderland
    Retentierecht op scheepscasco’s. De rechthebbende van een goed die dit opeist van een houder te goeder trouw is verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten bij wijze van schadeloosstelling aan de houder te vergoeden. Voor de vergoeding van deze kosten/schade komt de…
  • ECLI:NL:RBROT:2015:3496 — 13-03-2015 Rb. Rotterdam
    Hondenbelasting; een B.V. kan niet de feitelijke macht over een hond uitoefenen en een hond verzorgen.
  • ECLI:NL:RBNNE:2014:1339 — 18-03-2014 Rb. Noord-Nederland
    huurder heeft in beginsel geen recht op rente over waarborgsom

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.