Art. 3:118 Burgerlijk Wetboek Boek 3
Lid 1
Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen.
Lid 2
Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven.
Lid 3
Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen.
Recente uitspraken
Art. 3:118 BW is sinds 2002 in 198 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Noord-Holland, Hof Arnhem-Leeuwarden en Rb. Rotterdam.
- ECLI:NL:HR:2023:1825 — 22-12-2023 Hoge Raad
Goederenrecht. Art. 3:99 lid 1 BW. Ontstaan van erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring. Bezit te goeder trouw. Art. 3:23 BW. Staat onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend in de weg aan goede trouw? - ECLI:NL:HR:2010:BK6588 — 05-02-2010 Hoge Raad
Vermogensrecht. Verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW). Erfdienstbaarheid van overpad. Goede trouw (3:23 BW). Beoordeling van overige eisen die – naast bezit van het recht van overpad – moeten worden gesteld voor rechtverkrijgende verjaring, meer in het bijzonder de eis van goede… - ECLI:NL:HR:2002:AE2513 — 20-09-2002 Hoge Raad
- - ECLI:NL:OGHACMB:2024:160 — 27-08-2024 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
Curaçao. Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Vordering erfdeel. Verjaring. Gebaat. - ECLI:NL:GHARL:2026:4014 — 16-06-2026 Hof Arnhem-Leeuwarden
Burenrecht. Conflict over ligging van de erfgrens tussen percelen met woning op recreatiepark. Beroep op verkrijgende verjaring. Tussenarrest met bewijsopdracht.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.