Artikel 48 Algemene Ouderdomswet
Lid 1
Degene, van wie ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen belasting is geheven of in door Onze Minister en Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen geacht wordt te zijn geheven, heeft recht op een uitkering, indien en zolang hij recht heeft op ouderdomspensioen krachtens deze wet en hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op dit ouderdomspensioen.
Lid 2
Degene, die ingevolge het eerste lid recht op een uitkering heeft, dient de Sociale verzekeringsbank schriftelijk in kennis te stellen, zodra naar zijn oordeel het totaal aan uitkering betaalde bedragen heeft overschreden het totaal van de bedragen, die van hem op grond van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde bepalingen aan belasting zijn geheven of geacht worden te zijn geheven. De uitbetaling van deze uitkering wordt dan beëindigd met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag, waarop de kennisgeving door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van ontvangst van die kennisgeving.
Lid 3
Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt het totaal van de aan belasting geheven bedragen:
verminderd met de bedragen die niet zijn ingevorderd, dan wel die de verzekerde nalatig is gebleven te betalen;
vermeerderd met een door de in het eerste lid bedoelde uitkeringsgerechtigde te bepalen opslag.
Lid 4
Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het bedrag aan ouderdomspensioen en vakantie-uitkering, waarop de belanghebbende krachtens deze wet recht heeft.
Lid 5
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 26, 31 en 33 is, voor zover daarvan ten aanzien van de artikelen 17, derde lid, 18, en 24, eerste lid, bij ministeriële regeling niet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing.
Lid 6
Het bepaalde bij artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.
Lid 7
Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen bij ministeriële regeling ter zake van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid nadere regels en uitvoeringsvoorschriften geven.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 48 AOW is sinds 2015 in 6 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door CRvB, Rb. Gelderland en Rb. Noord-Nederland.
- ECLI:NL:CRVB:2025:1272 — 28-08-2025 CRvB
Toekenning AOW-pensioen met ingang van 14 juli 2022 met een korting van 82% vanwege 41 niet-verzekerde jaren en weigering toekenning overbruggingsuitkering of anderszins compensatie vanwege een onevenredig zware last terecht. Onvoldoende aanknopingspunten om appellant in het… - ECLI:NL:CRVB:2024:2105 — 31-10-2024 CRvB
Afwijzing aanvraag overbruggingsuitkering . De lijfrente-uitkering van appellant eindigde niet in de maand van zijn 65ste verjaardag of de eerste dag van de maand na zijn 65ste verjaardag. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de OBR. - ECLI:NL:CRVB:2024:2104 — 31-10-2024 CRvB
Afwijzing aanvraag overbruggingsuitkering . De lijfrente-uitkering van appellante eindigde niet in de maand van haar 65ste verjaardag of de eerste dag van de maand na haar 65ste verjaardag. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de OBR. - ECLI:NL:RBGEL:2022:5361 — 16-09-2022 Rb. Gelderland
AOW-gat. Door de verschuiving van de AOW-leeftijd geen terugval is ontstaan in eisers inkomen of uitkering als bedoeld in artikelen 4 en 4a van de OBR, zodat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om voor een overbruggingsuitkering in aanmerking te komen. Van bijzondere… - ECLI:NL:RBNNE:2018:2301 — 20-06-2018 Rb. Noord-Nederland
Als gevolg van de invoering van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is de aanvangsleeftijd van het AOW-pensioen van betrokkene verschoven. Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan bij deze inmenging in het eigendomsrecht in concrete gevallen sprake…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.