Artikel 29 Wet op de economische delicten
Lid 1
Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, kan het gerecht in alle zaken, economische delicten betreffende, met uitzondering van die, bedoeld in artikel 6, derde lid, vóór de behandeling ter terechtzitting, op de vordering van het openbaar ministerie, en, indien de zaak te zijner zitting wordt behandeld, mede ambtshalve, als voorlopige maatregel bevelen:
gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de verdachte, waarin het economische delict wordt vermoed te zijn begaan;
onderbewindstelling van de onderneming van de verdachte, waarin het economische delict wordt vermoed te zijn begaan;
gehele of gedeeltelijke ontzetting van bepaalde rechten of gehele of gedeeltelijke ontzegging van bepaalde voordelen, welke rechten of voordelen de verdachte in verband met zijn onderneming van overheidswege zijn of zouden kunnen worden toegekend;
dat de verdachte zich onthoude van bepaalde handelingen;
dat de verdachte zorg drage, dat in het bevel aangeduide voorwerpen, welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
Lid 2
Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht totdat de rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven, onherroepelijk is geworden. Zij kunnen door het gerecht, waarvoor de zaak wordt vervolgd, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd en worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie en, voor wat betreft wijziging of opheffing van de bevelen, tevens op het verzoek van de verdachte; deze wordt steeds gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig het verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig verzoek van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf dagen, nadat het ter griffie is ingediend.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 29 WED is sinds 2001 in 18 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Oost-Brabant, Rb. Overijssel en Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2008:BC8658 — 03-06-2008 Hoge Raad
Redelijke termijn i.g.v. voorlopige maatregel ex artt. 28 en 29 WED. Verweer en middel steunen op de opvatting dat in geval een voorlopige maatregel is opgelegd, de behandeling van de zaak in EA niet binnen 2 jr doch binnen 16 mnd na de oplegging van de voorlopige maatregel… - ECLI:NL:HR:2007:BA3161 — 13-07-2007 Hoge Raad
Clickfondszaak. Onrechtmatige overheidsdaad; persberichten van het openbaar ministerie, schending van de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 EVRM. Niet-onrechtmatige mededelingen bij mondelinge behandeling van vordering van openbaar ministerie tot onderbewindstelling van… - ECLI:NL:GHDHA:2020:1743 — 17-03-2020 Hof Den Haag
strafvorderlijk beslag. Vordering tot opheffing beslagen afgewezen. - ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3524 — 29-09-2005 Hof 's-Gravenhage
Het hof verwerpt de grieven van Leemhuis. Niet is komen vast te staan dat de fout in het rechtshulpverzoek enig gevolg heeft gehad, zodat schade voor Leemhuis door onjuistheden in dat rechtshulpverzoek niet worden aangenomen. Het strafrechtelijk vervolgen van een verdachte ten… - ECLI:NL:RBOBR:2026:6053 — 27-08-2026 Rb. Oost-Brabant
veroordeling voor feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 7 van de Wet op de economische delicten), begaan door een rechtspersoon en voor feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift,…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.