Artikel 28 Wet op de economische delicten
Lid 1
Indien tegen de verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen, is de officier van justitie in alle zaken, economische delicten betreffende, met uitzondering van die, bedoeld in artikel 6, derde lid, bevoegd, zolang de behandeling ter terechtzitting nog niet is aangevangen, de verdachte bij deze te betekenen kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen:
zich te onthouden van bepaalde handelingen;
zorg te dragen, dat in het bevel aangeduide voorwerpen, welke vatbaar zijn voor inbeslagneming, opgeslagen en bewaard worden ter plaatse, in het bevel aangegeven.
Lid 2
Op de vorengenoemde bevelen is artikel 10, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
De vorengenoemde bevelen verliezen hun kracht door een tijdsverloop van zes maanden en blijven uiterlijk van kracht, totdat de rechterlijke einduitspraak in de zaak, waarin zij zijn gegeven, onherroepelijk is geworden. Zij kunnen tussentijds door de officier van justitie bij aan de verdachte te betekenen kennisgeving worden gewijzigd of ingetrokken of door het gerecht, waarvoor de zaak wordt vervolgd, worden gewijzigd of opgeheven. Het gerecht kan dit doen ambtshalve, of op het verzoek van de verdachte; deze wordt steeds gehoord, althans behoorlijk opgeroepen, tenzij:
het gerecht reeds aanstonds tot wijziging overeenkomstig het verzoek van de verdachte dan wel tot opheffing besluit;
nog geen twee maanden zijn verstreken sedert op een vorig verzoek van de verdachte van gelijke strekking is beslist.
Het gerecht beslist op een verzoek van de verdachte binnen vijf dagen, nadat het ter griffie is ingediend.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 28 WED is sinds 2004 in 9 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Rb. Oost-Brabant en Rb. Rotterdam.
- ECLI:NL:HR:2024:288 — 27-02-2024 Hoge Raad
Economische zaak. In strijd met voorlopige maatregel ex art. 28 WED afvalstoffen inzamelen en in ontvangst nemen, art. 33 WED. Bewijsklacht. Heeft verdachte opzet gehad op handelen en nalaten in strijd met opgelegde voorlopige maatregel? HR: art. 81.1 RO. - ECLI:NL:HR:2008:BC8658 — 03-06-2008 Hoge Raad
Redelijke termijn i.g.v. voorlopige maatregel ex artt. 28 en 29 WED. Verweer en middel steunen op de opvatting dat in geval een voorlopige maatregel is opgelegd, de behandeling van de zaak in EA niet binnen 2 jr doch binnen 16 mnd na de oplegging van de voorlopige maatregel… - ECLI:NL:HR:2004:AR3725 — 07-12-2004 Hoge Raad
Opzettelijk handelen i.s.m. een ex art. 28.1 WED door de OvJ als voorlopige maatregel gegeven bevel. Zo’n bevel is ex art. 31 WED dadelijk uitvoerbaar en verliest zijn rechtskracht slechts ex art. 28.3 WED door intrekking door de OvJ of – al dan niet op verzoek van de verdachte… - ECLI:NL:GHDHA:2020:1743 — 17-03-2020 Hof Den Haag
strafvorderlijk beslag. Vordering tot opheffing beslagen afgewezen. - ECLI:NL:GHSHE:2010:BN4696 — 20-08-2010 Hof 's-Hertogenbosch
Art. 28 en 30 WED; Beschikking tot opheffing van voorlopige maatregel in hoger beroep vernietigd.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.