ECLI:NL:RBNNE:2026:4269

Datum uitspraak
22-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
18.012333.26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte. Vrijspraak van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Veroordeling voor diefstal voorafgegaan van geweld om deze makkelijk te maken, medeplegen art. 2 onder B OW, meerdere malen voor art. 2 onder C OW, voor art. 2a eerste lid OW en overtreding art. 8 WVW1994. Van een deel van de dealperiode is vrijgesproken. De indicatieve test in samenhang met de verklaring van verdachte voor het vaststellen van de middelen is in deze voldoende om vast te stellen om wat voor middelen het gaat. Inbeslaggenomen goederen zijn verbeurd verklaard, onttrokken aan het verkeer en teruggegeven aan verdachte. Ook een pistool en een cobra, waarmee geen verband is met het bewezenverklaard zijn onttrokken aan hete verkeer. De vordering van de benadeelde partij is deels hoofdelijk toegewezen met de schadevergoedingsmaatregel. Gijzeling op nihil. Materiële schade is door de rechtbank geschat.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.012333.26

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18.326526.25 en 18.009070.26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzittingen van 27 augustus 2026 en 8 september 2026.

Verdachte is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 verschenen, bijgestaan door

mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Ter terechtzitting van 8 september 2026 zijn hij en zijn raadsman niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma en ter terechtzitting van 8 september 2026 door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18.012333.26:

1. ​

hij op of omstreeks 1 december 2025 te Drachten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

  • een jas (merk Canada Goose t.w.v. c.a. 800 euro) en/of

  • een riem (merk Louis Vuitton t.w.v. c.a. 400 euro)

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich en/of zijn mededaders wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene

te verzekeren, door

  • tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij niet mocht opstaan en/of

  • (vervolgens) meermaals met gebalde vuist en/of vlakke hand te slaan op het hoofd althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

  • het haar van die [slachtoffer] af te knippen en/of

  • bakboter te spuiten op die [slachtoffer] en/of

  • die [slachtoffer] de woorden toe te voegen als we je zien dan praten we wel even goed subsidiair althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, een jas (merk Canada Goose t.w.v. c.a. 800 euro), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

​

hij op of omstreeks 1 december 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

  • tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij niet mocht opstaan en/of

  • door met een groep van acht, althans meerdere personen, door hun overwicht ten

opzicht van die [slachtoffer] hem de kans te ontnemen om (zijn eigen) woning te ontvluchten;

​

hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer een hoeveelheid

  • MDMA en/of

  • cocaïne en/of

  • heroïne en/of

  • XTC en/of

  • ketamine en/of

  • 3MMC en/of

  • 2MMC en/of

  • een andere stof zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

​

hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

  • 40,74 gram, althans een hoeveelheid 2MMC (goednummer 1919757) en/of

  • 16 bolletjes, althans een hoeveelheid, cocaïne (goednummer 191754) en/of

  • 2,54 gram cocaïne (goednummer 1919752) en/of

  • 18 bolletjes, althans een hoeveelheid cocaïne (goednummer 1919767)

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

in de zaak met parketnummer 18.326526.25:

hij op of omstreeks 21 september 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland een voertuig, te weten een personenauto (Volkswagen Golf), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen

stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of cannabis en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol

  • 77 microgram cocaïne per liter bloed en/of

  • 1,5 microgram cannabis per liter bloed en/of

  • 0,71 milligram ethanol/ alcohol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens)

een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;

en in de zaak met parketnummer en 18.009070.26:

hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

  • ongeveer 3.46 gram (1.17, 1.39 en 0.90 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

  • ongeveer 15.15 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2MMC (2-methylmethcathinone),

zijnde cocaïne en/of 2MMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en lijst IA, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair, 2., 3. ten aanzien van de periode van 10 oktober 2025 tot en met 10 maart 2026 en 4., het in de zaak met parketnummer 18.326526.25 en het in de zaak met parketnummer 18.009070.26 ten laste gelegde.

Zij heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde het volgende aangevoerd.

Er is in beginsel geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. Aangever verklaart dat hij is mishandeld door een groep personen in zijn woning. Hierbij zijn ook zijn haren op willekeurige plaatsen afgeknipt en is zijn jas van het merk Canada Goose met een opvallende beschadiging en zijn grijs/wit geblokte riem met een gouden embleem van het merk Louis Vuitton weggenomen.

Aangever mocht van de groep zijn woning niet verlaten en moest op zijn bank blijven zitten.

De aangifte vindt steun in andere bewijsmiddelen. Wanneer de politie ter plaatse komt zien zij de willekeurig afgeknipte haren van aangever. De jas van het merk Canada Goose met de opvallende beschadiging is aangetroffen bij verdachte. Verdachte verklaart wisselend over de herkomst van de jas. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] is een riem aangetroffen die gelijkenissen zou hebben met de riem die bij aangever is weggenomen. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart zeer wisselend over de herkomst van de riem. Daarom kan er van worden uitgegaan dat dit de jas en riem van aangever zijn.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben bekend dat zij in de woning van aangever aanwezig waren. Aangever heeft medeverdachte [medeverdachte 2] herkend als de persoon die zijn haren heeft afgeknipt. Volgens medeverdachte [medeverdachte 2] heeft hij vriendschappelijk met aangever in de

woning gevochten. Dat er vrijwillig is gevochten is, gelet op de eerder geschetste omstandigheden, waarbij aangever pijn en letsel heeft opgelopen, zijn haren zijn afgeknipt en zijn dure spullen zijn weggenomen, niet geloofwaardig. Diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

In de zaak met parketnummer 18.012333.26 ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd voor de periode van 5 april 2025 tot en met 9 oktober 2025 en heeft zij veroordeling gevorderd voor de periode van 10 oktober 2025 tot en met 10 maart 2026. Zij heeft aangevoerd dat zij de verklaring van verdachte, dat hij pas vanaf december 2025 in drugs heeft gehandeld, niet geloofwaardig acht. Onder meer uit de verklaring van de afnemer [nummer] die op 19 maart 2026 is gehoord, blijkt dat hij dan al 8 maanden drugs afneemt van [bijnaam] waarvan uit het dossier blijkt dat dit verdachte betreft.

Ten aanzien van de middelen ketamine en 2MMC heeft de officier van justitie ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat ketamine strafbaar is gesteld in de geneesmiddelenwet en 2MMC een middel is genoemd op lijst IA behorende bij de Opiumwet, nu de tenlastelegging (onder 3. en 4.) hier niet op ziet, kan geen kwalificatie volgen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair, 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte deze gedragingen ontkent en dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een veroordeling hiervan te komen. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel strafbare feiten zijn gepleegd dan blijkt uit het dossier niet dat verdachte daar een bijdrage aan heeft geleverd.

Ten aanzien van de heling geldt dat uit het dossier niet of onvoldoende volgt dat op het moment dat de jas bij verdachte is terechtgekomen hij wist of had moeten weten dat de jas door misdrijf was verkregen.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte in de zaak met parketnummer 18.012333.26 ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde partieel moet worden vrijgesproken, te weten van de periode van 5 april 2025 tot en met 30 november 2025. De raadsman heeft aangevoerd dat de naam van verdachte in de periode voor december 2025 niet door de MMA-meldingen en de getuige [getuige] wordt genoemd en dat uit een uitgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] van 14 december 2025 blijkt dat verdachte dan begint met de handel in verdovende middelen.

Oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18.012333.26

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair ten laste gelegde.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair ten laste gelegde het volgende vast.

Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat op de avond van 1 december 2025 verdachte in de woonkamer van zijn woning in [woonplaats 1] staat. Verdachte zegt tegen hem dat hij niet mag opstaan. Even later komen er nog vier personen zijn woning binnen. Het gaat om een man van buitenlandse herkomst, mogelijk Russisch, met een volle baard, die aangever kent als “ [bijnaam 2] ”, een man met een getinte huidskleur en een afro kapsel en een jas van het merk Canada Goose, een Nederlandse jongen van 17 à 18 jaar en een getinte jongen. Aangever is door al deze personen anderhalf uur lang, meerdere keren gericht geslagen op zijn hoofd. Dat gebeurde zowel met vuisten als met de vlakke hand in het gezicht.

Daardoor raakte zijn rechterkaak opgezwollen en hij had veel pijn aan zijn gezicht. De personen zeiden dat hij geld moest regelen en dat hij 120 euro moest betalen. Op enig moment pakte [bijnaam 2] een schaar waarmee het haar van aangever is afgeknipt. Hij hoorde de anderen lachen. Aangever durfde hier niks tegen te doen, omdat ze met zon grote groep waren. Op enig moment zag en voelde hij dat hij met bakboter werd ondergespoten. Wederom hoorde hij dat ze allemaal aan het lachen waren. Eén van de personen vroeg of hij iets van waarde had in zijn woning wat ze konden meenemen. Hij zag dat ze zijn woning gingen doorzoeken. De persoon met het afro kapsel zei tegen aangever dat hij zijn riem van het merk Louis Vuitton moest afdoen. Dat heeft hij gedaan en hij heeft de riem op de salontafel gelegd. Hij heeft gezien dat de persoon met het afro kapsel zijn riem pakte en deze meenam. Het betreft een grijs/wit geblokte riem met een gouden embleem. Voordat ze vertrokken zeiden meerdere personen tegen hem dat ze zijn jas zouden meenemen. Dit was een jas van het merk Canada Goose die over een stoel hing in de woonkamer. Deze jas is te herkennen aan een ontbrekende flap van de rechterzak aan de voorzijde van de jas.2 De jas is weggenomen. 3

Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , die belast waren met het opnemen van de aangifte van [slachtoffer] , hebben op 5 december 2025 gezien dat de haren van [slachtoffer] op willekeurige plekken waren afgeschoren dan wel waren afgeknipt. Ook zagen zij dat [slachtoffer] hen op zijn telefoon fotos toonde van zijn afgeknipte haren en fotos waarop hij de gestolen goederen droeg. 4

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij een discussie hadden en gingen vechten. Dit was in de woning van [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] daardoor letsel, zoals blauwe plekken en zwellingen in zijn gezicht, heeft opgelopen kan [medeverdachte 2] wel begrijpen. [medeverdachte 2] heeft vervolgens tegen [slachtoffer] gezegd, terwijl de woonkamer vol mensen zat, dat ze hem kaal gingen knippen, omdat hij hem nog geld verschuldigd was. [slachtoffer] is met een schaar kaalgeknipt. Volgens [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] een jas heeft gelijkend op een jas van het merk Canada Goose.

Toen [slachtoffer] de jas kreeg was die jas al stuk, met zon gat aan de voorkant. 5 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 december 2025 samen met vrienden in de woning van [slachtoffer] was, dat medeverdachte [medeverdachte 2] -die daar ook bij was- nog geld van [slachtoffer] moest hebben en dat met een schaar de haren van [slachtoffer] zijn geknipt.6

Op 10 maart 2026 is een doorzoeking geweest in de woning van [medeverdachte 1] . Op zijn bed is een grijs/wit geblokte riem aangetroffen met een gouden embleem van het merk Louis Vuitton.7 Zijn moeder vertelde tijdens de doorzoeking dat ze deze riem iets van drie maanden eerder al had gezien.8

Ook op 10 maart 2026 is er een doorzoeking geweest in de woning van verdachte. Op de bank in de woonkamer werd een jas van het merk Canada Goose aangetroffen. De flap van de rechterzak aan de voorzijde van de jas ontbreekt.9

Overwegingen over het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal die is voorafgegaan van geweld, gepleegd om de diefstal gemakkelijk te maken. Verdachte was in de woning aanwezig en heeft geweld gebruikt tegen de aangever door hem

tegen zijn hoofd te slaan. Ook is een deel van de buit, de weggenomen jas, bij verdachte aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat het niet anders kan dan dat de bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen riem en de bij verdachte aangetroffen jas, de riem en de jas van aangever zijn die op 1 december 2025 bij aangever zijn weggenomen. De jas is niet alleen van hetzelfde merk als de jas van aangever, maar vertoont bovendien specifieke gelijkenis met die jas. De klep van de rechter jaszak ontbreekt, precies zoals aangever heeft verteld. De politie heeft fotos gezien waarop aangever de door hem beschreven jas draagt en [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat aangever een dergelijke jas met dat specifieke kenmerk had. De riem die bij aangever is weggenomen is voor wat betreft merk, patroon, kleur en embleem soortgelijk aan de riem die bij medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen.

Verbalisanten hebben een foto gezien waarop aangever de door hem beschreven riem droeg. Bovendien heeft de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] de betreffende riem zon drie maanden voor 10 maart 2026 en dus kort na de diefstal, bij hem gezien.

Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] ontkennen dat de bij hen aangetroffen jas, respectievelijk riem, van aangever zijn en bij hem zijn weggenomen. Hun verklaringen vindt de rechtbank niet geloofwaardig, omdat ze wisselend en tegenstrijdig zijn over de herkomst van de goederen en niet zijn te controleren.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Hoewel de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen wie de jas en de riem van aangever daadwerkelijk heeft of hebben weggenomen, is zij van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal. Hij maakte deel uit van een groep van vijf (jonge) mannen die bij aangever in de woning was, omdat hij een schuld aan de medeverdachte [medeverdachte 2] zou hebben. Vanwege die schuld werd hij door hen geslagen en werden zijn haren afgeknipt. Vervolgens doorzochten de mannen de woning op zoek naar iets van waarde. Uiteindelijk zijn de riem en de jas van aangever weggenomen.

Hieruit blijkt dat het oogmerk van de groep was gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van goederen en/of geld van aangever. Het geweld is daarbij instrumenteel geweest en heeft de diefstal gemakkelijk gemaakt. Dat verdachte hierbij nauw betrokken was blijkt uit de omstandigheid dat een deel van de buit, de jas, daarna in bezit was van verdachte. Daarbij komt dat de feitelijke handelingen die zijn ten laste gelegd steeds zijn gepleegd terwijl de verdachten samen waren met aangever, waarbij hun rollen min of meer inwisselbaar waren.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht het laatste gedachtestreepje van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Aangever heeft op 5 december 2025 wel verklaard dat hij naderhand een snapchat bericht heeft ontvangen waarin stond: “Als we je zien, dan praten we wel even goed”, maar niet duidelijk is wanneer dit bericht is verstuurd en door wie. Bovendien was dit nadat de goederen reeds waren gestolen en het delict was voltooid.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 2. ten laste gelegde.

Vrijspraak

Beoordeeld moet worden of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en het beroofd houden van aangever. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht stelt een tweetal gedragingen strafbaar: beroven van de vrijheid en van de vrijheid beroofd houden. Naast het van de vrijheid beroven is het beroofd houden strafbaar gesteld, opdat ook strafbaar zou worden hij die een oorspronkelijk niet wederrechtelijk of niet door hem gepleegde vrijheidsberoving wederrechtelijk voortzet. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als iemand zich van de plaats waar hij zich bevindt niet kan verwijderen, ofwel omdat hem dat fysiek wordt belet, ofwel omdat als hij dat wel zou doen hij zelf geweld zou moeten plegen of ondergaan.

Hoewel verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die ongeveer anderhalf uur in de woning van aangever heeft verbleven en geweld tegen hem heeft gepleegd, kan uit de inhoud van het dossier en wat op de zitting is besproken niet worden afgeleid dat aangever niet de mogelijkheid had om zijn woning te verlaten. Dat is hem niet fysiek onmogelijk gemaakt, en ook blijkt niet dat hij vergeefse pogingen heeft ondernomen om weg te komen.

In de bewijsoverwegingen bij het onder 1. primair ten laste gelegde heeft de rechtbank overwogen dat het doel van de groep verdachten was om de schuld, die aangever bij [medeverdachte 2] had, te innen.

Daarbij is weliswaar geweld gebruikt tegen aangever, maar het is niet zonder meer duidelijk dat als aangever had willen vertrekken, hem dat (met geweld) zou zijn belet of dat hij daarvoor zelf geweld zou hebben moeten gebruiken. De omstandigheid dat verdachte, toen hij eerst alleen bij aangever in de woning was, tegen hem zei dat hij niet mocht opstaan, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 2. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Feiten 3 en 4 in de zaak met parketnummer 18.012333.26

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. ten laste gelegde

Verdachte heeft op 27 augustus 2026 ter zitting verklaard dat hij vanaf december 2025 is begonnen met het verkopen van drugs tot het moment dat hij op 10 maart 2026 werd aangehouden. Volgens hem heeft hij voornamelijk cocaïne, 3MMC en 2MMC verkocht en maar één of twee keer in deze periode heeft hij ook XTC en ketamine verkocht.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet volgt dat verdachte eerder dan 1 december 2025 harddrugs heeft verkocht en afgeleverd. Uit de zaak met parketnummer 18.009070.26 blijkt dat verdacht op 10 oktober 2025 een handelshoeveelheid van de middelen cocaïne en 2MMC bij zich had. Dit is echter onvoldoende om te komen tot het bewijs dat verdachte vanaf die periode ook deze middelen heeft

verkocht en afgeleverd. De rechtbank is daarom met de raadsman van oordeel dat verdachte van de periode van voor 1 december 2025 dient te worden vrijgesproken. De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. ten laste gelegde vrijspreken van de periode van 5 april 2025 tot en met 30 november 2025, omdat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de middelen MDMA en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, vervoerd of verstrekt. Hij zal van het opzettelijk verstrekken en afleveren van deze middelen worden vrijgesproken, omdat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 4. ten laste gelegde

In de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 4. wordt verdachte onder meer verweten dat hij opzettelijk aanwezig heeft gehad 40,74 gram 2MMC (goednummer 1919757) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Nu 2MMC niet is vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en het vijfde lid van artikel 3a van de Opiumwet niet aan de orde is, zal de rechtbank verdachte van het opzettelijk aanwezig hebben van dit middel vrijspreken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. en

4. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

In de zaak met parketnummer 18.012333.26 (onder 3. en 4. ten laste gelegde)

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2026, opgenomen op paginas 283 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026026142

d.d. 12 juni 2026, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2026, opgenomen op pagina 479 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

4. een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 1242 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van rapporteur [verbalisant] ;

5. een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 1240 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van rapporteur [verbalisant] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 21 april 2026, opgenomen op pagina 448 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;

7. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.04.09.025 (aanvraag 004), d.d. 10 april 2026 opgemaakt door ing. L.I. Stuyver, opgenomen op pagina 456 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige;

8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.04.09.025 (aanvraag 002), d.d. 10 april 2026 opgemaakt door ing. L.I. Stuyver, opgenomen op pagina 457 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 18.012333.26 ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

De substantie in de achttien bolletjes aangetroffen in een sok (goednummer 1919767) bevatten volgens een indicatieve test cocaïne. De substantie in de bolletjes is getest via de TruNarc-methode en is niet door een laboratorium onderzocht.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een aantal maanden in onder meer cocaïne heeft gehandeld. Ter terechtzitting van 27 augustus 2026 heeft hij verklaard dat de achttien bolletjes die in een sok in de struiken zijn gevonden en die onder hem in beslag zijn genomen, cocaïne bevatten. De rechtbank acht deze bijkomende omstandigheid voldoende om te kunnen vaststellen dat de substantie in de bolletjes daadwerkelijk cocaïne bevat.

Zaak met parketnummer 18.326526.25

In de zaak met parketnummer 18.326526.25

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18.326526.25 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025256630-1 d.d. 23 oktober 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

  3. een schriftelijk stuk, te weten een opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek, opgenomen op pagina 36 van voornoemd dossier;

  4. een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad ziekenhuis, zaaknummer 923250592050, d.d. 17 oktober 2025, opgemaakt door dr. [apotheker] , als ziekenhuisapotheker/klinisch farmacoloog, op de door hem of haar afgelegde verklaring dat dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht in opgesteld, inhoudende de resultaten van het bloedonderzoek.

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 18.326526.25

Verdachte heeft terechtzitting van 27 augustus 2026 niet ontkend dat hij op 21 september 2025 cocaïne in zijn bloed had, maar hij snapt niet hoe de cocaïne in zijn bloed is terechtgekomen, omdat hij in die tijd geen cocaïne gebruikte. De rechtbank gaat uit van de juistheid van het resultaat van het onderzoek door de deskundige en acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Verdachte heeft later ter terechtzitting van 27 augustus 2026 verklaard dat de cocaïne en de 2MMC, die op 10 oktober 2025 bij hem zijn aangetroffen, voor eigen gebruik bestemd waren. Hij zou in die tijd op feestjes wel cocaïne en 3MMC gebruiken. Gelet op deze verklaring van verdachte en het korte tijdsbestek tussen 21 september 2025 en 10 oktober 2025 is de rechtbank van oordeel dat verdachte op enige moment voor 21 september 2025 cocaïne heeft gebruikt en dat hiervan op 21 september 2025 nog sporen van in zijn bloed aanwezig waren.

Zaak met parketnummer 18.009070.26

In de zaak met parketnummer 18.009070.26

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18.009070.26 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026;

  2. een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 27 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025275619 d.d. 4 januari 2026, inhoudende het relaas van rapporteurs [verbalisant] en [verbalisant] ;

  3. een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 28 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van rapporteur [verbalisant] ;

  4. een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 29 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van rapporteurs [verbalisant] en [verbalisant] ;

  5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 30 november 2025, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;

  6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.21.097 (aanvraag 004), d.d. 26 november 2025 opgemaakt door ing. N. van Doorn, opgenomen op pagina 49 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige;

  7. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.21.097 (aanvraag 003), d.d. 21 oktober 2025 opgemaakt door ing. L.I. Stuyver, opgenomen op pagina 50 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige;

  8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.21.097 (aanvraag 002), d.d. 21 oktober 2025 opgemaakt door ing. L.I. Stuyver, opgenomen op pagina 51 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige;

  9. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.21.097 (aanvraag 001), d.d. 21 oktober 2025 opgemaakt door ing. L.I. Stuyver, opgenomen op pagina 52 van voornoemd dossier, inhoudend zijn of haar verklaring afgelegd op algemene belofte als vaste gerechtelijk deskundige.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair, 3. en 4., het in de zaak met parketnummer 18.326526.25 en het in de zaak met parketnummer 18.009070.26 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18.012333.26:

1. primair

hij op 1 december 2025 te Drachten, tezamen en in vereniging met anderen,

  • een jas van het merk Canada Goose en

  • een riem van het merk Louis Vuitton

die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich en zijn mededaders wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij niet mocht opstaan en

  • meermaals met gebalde vuist en vlakke hand te slaan op het hoofd van [slachtoffer] en

  • het haar van [slachtoffer] af te knippen en

  • bakboter te spuiten op [slachtoffer] ;

3.

hij in de periode van 1 december 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid

  • cocaïne en

  • XTC en

  • ketamine en

  • 3MMC en

  • 2MMC.

4.

hij op 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

  • 16 bolletjes cocaïne, goednummer 1919754 en

  • 2,54 gram cocaïne, goednummer 1919752 en

  • 18 bolletjes cocaïne, goednummer 1919767,

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; in de zaak met parketnummer 18.326526.25:

hij op 21 september 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland, een voertuig, te weten een personenauto Volkswagen Golf, heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, cannabis en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol

  • 77 microgram cocaïne per liter bloed en

  • 1,5 microgram cannabis per liter bloed en

  • 0,71 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg,

telkens een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;

en in de zaak met parketnummer en 18.009070.26:

hij op 10 oktober 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

  • 3,46 gram (1,17, 1,39 en 0,90 gram) van een materiaal bevattende cocaïne en

  • 15,15 gram van een materiaal bevattende 2MMC (2-methylmethcathinone),

zijnde cocaïne en 2MMC, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en lijst IA.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Zoals hiervoor reeds door de officier van justitie is aangevoerd is het handelen in ketamime strafbaar gesteld in de Geneesmiddelenwet en ziet de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. hier niet op, zodat hiervoor geen kwalificatie kan volgen en verdachte ten aanzien van de ketamine zal worden ontslagen van alle rechtervervolging.

Anders dan door de officier van justitie en door de raadsman is betoogd, kan de rechtbank de handel in 2MMC wel als een strafbaar feit aanmerken. De rechtbank heeft daarbij gelet op artikel 10b van de Opiumwet in samenhang met artikel 2a van die wet.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18.012333.26:

1. primair diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

in de zaak met parketnummer 18.326526.25:

overtreding van artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

en in de zaak met parketnummer en 18.009070.26:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair, 2., 3. ten aanzien van de periode van 10 oktober 2025 tot en met 10 maart 2026 en 4., het in de zaak met parketnummer 18.326526.25 en het in de zaak met parketnummer 18.009070.26 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van negen maanden waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd, alsmede dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde voorwaarden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorst heeft de raadsman aangevoerd dat wanneer verdachte in de zaak met parketnummer 18.012333.26 van het onder 1. primair,

1. subsidiair en 2. ten laste gelegde wordt vrijgesproken er geen ruimte meer is voor het opleggen van een aanvullende straf, zoals een werkstraf. Tevens zou een werkstraf mogelijk te veel van verdachte vragen, wanneer hij zich ook aan de bijzondere voorwaarden moet houden die door de Raad voor de Kinderbescherming worden geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het advies uitgebreid onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 juli 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De destijds minderjarige verdachte heeft samen met anderen een diefstal voorafgegaan van geweld gepleegd. Het slachtoffer betrof een kwetsbare jong volwassene, die in zijn woning van een begeleid wooninstelling, door verdachte en zijn mededaders ongeveer anderhalf uur is mishandeld en vernederd, waarbij zijn haren zijn afgeknipt en hij is ondergespoten met bakboter. Vervolgens hebben ze een (dure) merk jas en riem gestolen. Deze jas is tijdens een doorzoeking bij verdachte in de woning aangetroffen.

De rechtbank vindt dit een zeer ernstig delict. Verdachte en zijn medeverdachten hebben het slachtoffer in zijn woning overvallen, mishandeld en vernederd. In zijn eigen woning behoort men zich veilig en geborgen te voelen. Het machtsvertoon en de brutaliteit van het handelen van verdachte en zijn mededaders vindt de rechtbank zeer kwalijk. Hun gedrag heeft ook grote gevolgen voor het slachtoffer gehad. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat hij nadien erg bang was en niet meer over straat

durfde uit angst voor verdachte en zijn mededaders en bang was om alleen thuis te zijn. Hij heeft nadien psychische klachten en heeft hiervoor hulp gezocht bij de Geestelijke Gezondheidszorg.

Hiernaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne, 3MMC, XTC en 2MMC gedurende een periode van ruim drie maanden, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en/of 2MMC op twee verschillende momenten en het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol, cocaïne en cannabis, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Daarmee heeft verdachte de volksgezondheid geschaad, de verslavingen van anderen in stand gehouden en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten of geweldsdelicten. Wel is verdachte eerder veroordeeld inzake de Opiumwet. Ook heeft hij op 24 maart 2026 een strafbeschikking gehad inzake artikel 110 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze strafzaak had in theorie gezamenlijk met de onderhavige strafzaak kunnen worden afgedaan, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat deze strafbeschikking, gelet op zijn aard en ernst, geen strafverminderde invloed heeft op de strafmaat in de onderhavige strafzaak.

In de zaak met parketnummer 18.012333.26 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst op 28 april 2026. Sindsdien moet verdachte zich aan voorwaarden houden onder meer inhoudend reclasseringstoezicht van Verslavingszorg Noord Nederland en een locatiegebod met elektronisch toezicht. In totaal heeft hij 50 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat de Raad zich zorgen maakt over de gewetensontwikkeling van verdachte. Hij heeft een gebrek aan zelfinzicht en eigen verantwoordelijkheden. Het lukt hem onvoldoende om meer pro-sociale vaardigheden in te zetten en keuzes te maken om problemen op te lossen en daarbij ook stil te staan. Ook heeft hij moeite om zich in een ander te verplaatsen. De vrienden uit het criminele netwerk ziet hij als familie en hij kan hier niet zomaar afstand van nemen. Door deze contacten wordt de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten aanzienlijk vergroot ook gelet op de grote mate van beïnvloedbaarheid van verdachte. Volgens de Raad heeft verdachte duidelijke kaders en toezicht nodig om niet opnieuw te vervallen in oude patronen. Verder is het van belang dat hij een structurele dagbesteding heeft, zijn financiële situatie stabiel is en hij een positieve vrijetijdsbesteding heeft, waarbij hij pro-sociale contacten opdoet. Middels een behandeling bij Verslavingszorg Noord Nederland kan hij aan de ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven werken, omdat hij het gebruik van middelen nog steeds nodig lijkt te hebben om rust in zijn hoofd te ervaren.

Volgens de Raad verloopt de schorsing van de voorlopige hechtenis positief, maar verloopt het contact wel wat stroef. De interventies en bejegening vanuit de reclassering worden vanuit de JOVO aanpak afgestemd op de ontwikkelingsfase van verdachte als jongvolwassene, zodat hij vaardigheden kan ontwikkelen die nodig zijn voor de overgang naar volwassenheid. Middels deze aanpak krijgt hij meer eigen verantwoordelijkheid wat aansluit bij zijn woon- en leefomstandigheden bij het begeleid wonen. Verdachte is in contact met de reclassering, komt afspraken na en stelt zich begeleidbaar op. Hij heeft echter nog weinig vrijheden, nog geen dagbesteding waarbij wel wat van hem wordt gevraagd en verwacht en de behandeling is nog niet gestart. Het is de vraag of hij dit positieve gedrag voor de langere termijn kan vasthouden als hij meer vrijheden krijgt. De Raad adviseert om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht, een locatiegebod voor de duur van zes maanden met elektronisch toezicht, de verplichting om te verblijven bij begeleid wonen van [instelling] , een contactverbod met de medeverdachten, de verplichting tot het hebben van school of dagbesteding, de verplichting om op aanwijzing van de reclassering mee te werken aan onderzoeken op middelengebruik en de verplichting mee te werken aan een ambulante behandeling en hulpverlening bij Verslavingszorg Noord Nederland. De Raad adviseert ook te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Daarnaast adviseert de Raad oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven zich aan de geadviseerde voorwaarden te willen houden en mee te willen werken aan het toezicht van de reclassering.

Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor minderjarigen. Tevens heeft de rechtbank gelet op hetgeen in vergelijkbare jeugdzaken wordt opgelegd, de rol van verdachte bij de strafbare feiten en de leeftijd van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bijna achttien jaren oud. Hij heeft in harddrugs gehandeld in een samenwerkingsverband, maar werd veelal als loopjongen gebruikt door oudere mededaders. Ook de diefstal voorafgegaan van geweld pleegde hij met oudere mededaders en de rechtbank heeft de indruk gekregen dat hij door hen in negatieve zin is beïnvloed.

Alles afwegend vindt de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen waarvan 310 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden passend en geboden en zal deze straf opleggen. De rechtbank legt daarmee een hogere jeugddetentie op dan door de officier van justitie is gevorderd om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten. Deze straf houdt in dat verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis en dat de begeleiding en het toezicht door de reclassering kan worden voortgezet. De rechtbank is van oordeel dat deze straf pedagogisch gezien het meest passend is voor verdachte, omdat hierdoor wordt gewerkt aan het beperken van de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten en hij wordt begeleid en behandeld. Daarom zal de rechtbank ook bepalen dat de voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat de rechtbank er ernstig rekening mee houdt dat verdachte anders wederom een

misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie verbinden, waarbij de rechtbank het locatiegebod voor de duur van drie maanden zal opleggen in plaats van de geadviseerde zes maanden, met elektronisch toezicht. Verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ruim vier maanden aan deze ingrijpende en zeer beperkende voorwaarde moeten houden. De rechtbank begrijpt dat deze voorwaarde geleidelijk moet worden afgebouwd waarbij verdachte steeds meer vrijheden krijgt. Echter gelet op het zeer ingrijpende karakter van deze voorwaarde moet een termijn van drie maanden hiervoor voldoende zijn.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten zal de rechtbank verdachte hiernaast nog een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren opleggen. Deze werkstraf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, maar de rechtbank is van oordeel dat de nadruk op de behandeling en opleiding van verdachte moet komen te liggen, om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt en hierbij moet verdachte niet worden overvraagd. Bovendien zal de rechtbank aan verdachte een hogere (voorwaardelijke) jeugddetentie opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verbeurdverklaring van de volgende voorwerpen:

  • een geldbedrag van 720,- met goednummer 1919632;

  • een geldbedrag van 58,30 met goednummer 1919641;

  • een geldbedrag van 200,- met goednummer 1919642;

  • een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1919582;

  • een mobiele telefoon van het merk Motorola met goednummer 1919604;

  • een notitieboekje met goednummer 1919667;

  • een weegschaal met goednummer 1919704.

Tevens heeft zij gevorderd de onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:

  • ponypacks met goednummer 1919712;

  • een Cobra met goednummer 1919682;

  • drie lachgascilinders goednummer 1919690;

  • verdovende middelen, hennep, met goednummer 1919640;

  • achttien bolletjes met goednummer 1919767;

  • hennep met goednummer 1919746;

  • zes ponypacks met goednummer 1919752;

  • zeventien ponypacks en zestien bolletjes met goednummer 1919754;

  • een zakje wit poeder met goednummer 1919757;

  • een in delen aangetroffen wapen met goednummer 1919903;

  • veertig nicotinepods met goednummer 1919714.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat het geldbedrag van 720,- aan verdachte wordt teruggegeven, omdat dit geldbedrag het over gebleven deel van de 4.000,- betreft die hij van zijn oom heeft ontvangen en daarom is dit geldbedrag niet van misdrijf afkomstig.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1919582;

  • een mobiele telefoon van het merk Motorola met goednummer 1919604;

  • een notitieboekje met goednummer 1919667;

  • een weegschaal met goednummer 1919704,

vatbaar voor verbeurdverklaring nu het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. bewezenverklaarde hiermee is begaan en deze toebehoren aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten:

  • een geldbedrag van 720,- met goednummer 1919632;

  • een geldbedrag van 58,30 met goednummer 1919641;

  • een geldbedrag van 200,- met goednummer 1919642;

vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. bewezenverklaarde onder zijn verkregen en deze toebehoren aan verdachte. Dit geldt ook voor het geldbedrag van

720,- met goednummer 1919632, omdat de rechtbank het aannemelijk vindt dat dit geld afkomstig is van de handel in harddrugs nu de politie dit geldbedrag heeft aangetroffen in een doos samen met ponypacks.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de inbeslaggenomen achttien bolletjes met goednummer 1919767, de zes ponypacks met goednummer 1919752 en de zestien bolletjes met goednummer 1919754 vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu de middelen in deze goederen cocaïne bevatten, het onder 4. bewezenverklaarde hiermee is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • ponypacks met goednummer 1919712;

  • drie lachgascilinders goednummer 1919690;

  • verdovende middelen, hennep, met goednummer 1919640;

  • hennep met goednummer 1919746;

  • zeventien ponypacks met goednummer 1919754;

  • een zakje wit poeder met goednummer 1919757,

gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • een Cobra met goednummer 1919682;

  • een wapen, te weten een pistool Walther P88 Compact in onderdelen, met goednummer 1919903,

eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank ziet geen verband tussen deze inbeslaggenomen voorwerpen en een van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Het zijn evenmin voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de

belemmering van de opsporing daarvan. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het niet maatschappelijk verantwoord is om te gelasten dat een Cobra en een pistool worden teruggegeven aan verdachte. De rechtbank gelast daarom de onttrekking aan het verkeer van deze inbeslaggenomen voorwerpen, onder vermelding van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat de twee inbeslaggenomen mobiele telefoons van het merk Apple Iphone met de goednummers 1919608 en 1919614 en de veertig nicotinepods van het merk Pablo Ice Cold met goednummer 1919714 moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair ten laste gelegde

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.572,- ter vergoeding van materiële schade en 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de schade het standpunt ingenomen dat de materiële schade aan de jas ad 800,- en de kapperskosten ad 22,- hoofdelijk moeten worden toegewezen. De benadeelde partij heeft deze schade niet onderbouwd met stukken, maar volgens de officier van justitie kan de rechtbank deze schade aannemelijk vinden en gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Tevens acht de officier van justitie de immateriële schade deels hoofdelijk toewijsbaar, maar ten aanzien van de hoogte daarvan heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 en vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair,

1. subsidiair en 2. ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd, die bestaat uit de volgende posten: Canada Goose jas (weggenomen), bank (materieel), broeken (weggenomen), schoenen (weggenomen), truien (weggenomen) en kapperskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, bestaande uit schade aan de bank, de jas en kapperskosten.

Er bestaat een rechtstreeks verband tussen het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair bewezen verklaarde feit en deze schade. De hoogte van de schade is door de benadeelde niet

verder onderbouwd. Omdat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).

De rechtbank schat de materiële schade op een bedrag van 150,- in totaal. De rechtbank zal het meer of anders gevorderde ten aanzien van deze posten afwijzen. Vanwege het ontbreken van rechtstreeks verband tussen het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair bewezen verklaarde feit en de overige gevorderde materiële schade, zal de rechtbank de vordering op dat punt niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft 10.000,- aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank neemt daarbij de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Deze brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij na het voorval angstig is om de straat op te gaan, maar ook in zijn eigen huis. Bovendien voelt hij zich erg gekleineerd doordat zijn haar is afgeknipt. Hij heeft op het moment van indienen van de vordering (juni 2026) nog steeds psychische klachten als gevolg van wat hem is overkomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal en uitspraken in vergelijkbare zaken. Gelet daarop acht de rechtbank een bedrag aan immateriële schadevergoeding van 3.500,- billijk. Daarbij heeft de rechtbank een verhoging toegepast voor de jeugdige leeftijd van de benadeelde, in overeenstemming met de bij de Rotterdamse schaal behorende aanbevelingen. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij in zoverre dan ook toe tot een bedrag van

3.500,-, onder afwijzing van het meer of ander gevorderde.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al /hebben betaald, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van in totaal 3.650,- hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Gelet op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het plegen van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair ten laste gelegde minderjarig was zal de rechtbank de gijzeling op nihil stellen.

Kostenveroordeling

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 56, 63, 77a, 77g, 77i, 77n, 77m, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 2a, 10, 10b en 13a van de Opiumwet en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. ten laste gelegde met betrekking tot de ketamine bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit.

Ontslaat verdachte ter zake (het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 3. ten laste gelegde) van de ketamine van alle rechtsvervolging.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair, 3. en 4., het in de zaak met parketnummer 18.326526.25 en het met parketnummer 18.009070.26 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 310 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

  1. na uitnodiging meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, op het door hen aangegeven tijdstip en locatie en zich vervolgens blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak, zolang en waar de reclassering dat nodig vindt;

  2. gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd, op door de reclassering vooraf vastgestelde dagen en tijdstippen aanwezig is zijn verblijfadres, [woonplaats 1] waarbij veroordeelde meewerkt aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de periode van drie maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  3. verblijft bij Zorginstelling [instelling] of een soortgelijke instantie, en zich houdt aan de daar geldende huisregels, zolang de reclassering dit nodig vindt;

  4. geen contact (direct noch indirect) heeft met zijn mededaders, te weten:

  • [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2007;

  • [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2005;

  • [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2003;

  • [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2002;

5. onderwijs volgt of andere door de reclassering geschikt gevonden dagbesteding heeft;

6. op aanwijzing van en zo vaak de reclassering dat nodig vindt meewerkt aan urineonderzoeken, speekseltesten en/of adamanalyses, zodat de reclassering inzicht kan krijgen op zijn middelengebruik:

7. op aanwijzing van de reclassering meewerkt aan een ambulante behandeling en hulpverlening bij Verslavingszorg Noord Nederland, of een soortgelijke instantie, voor zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden (met uitzondering van voorwaarde 4.) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het (jeugd)reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • een geldbedrag van 720,- met goednummer 1919632;

  • een geldbedrag van 58,30 met goednummer 1919641;

  • een geldbedrag van 200,- met goednummer 1919642;

  • een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1919582;

  • een mobiele telefoon van het merk Motorola met goednummer 1919604;

  • een notitieboekje met goednummer 1919667;

  • een weegschaal met goednummer 1919704.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • achttien bolletjes met goednummer 1919767;

  • zes ponypacks met goednummer 1919752;

  • zeventien ponypacks en zestien bolletjes met goednummer 1919754;

  • ponypacks met goednummer 1919712;

  • drie lachgascilinders goednummer 1919690;

  • verdovende middelen, hennep, met goednummer 1919640;

  • hennep met goednummer 1919746;

  • een zakje wit poeder met goednummer 1919757;

  • een Cobra met goednummer 1919682;

  • een wapen, te weten een pistool Walther P88 Compact in onderdelen, met goednummer 1919903.

Gelast de teruggave aan verdachte, voornoemd, van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • veertig nicotinepods van het merk Pablo Ice Cold met goednummer 1919714;

  • een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone (kleur zwart) met goednummer 1919608;

  • een mobiel telefoon van het merk Apple iPhone (kleur wit) met goednummers 1919614.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Benadeelde partij

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.012333.26 onder 1. primair ten laste gelegde:

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 3.650,- (zegge: drieduizend zeshonderd vijftig euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor de overig gevorderde materiële schade ad.

450,- niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van [slachtoffer] voor de overig gevorderde materiële schade ad. 972,- en overig gevorderde immateriële schade ad. 6.500,- af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.650,-(zegge: drieduizend zeshonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 150,- aan materiële schade en 3.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat de toegepaste gijzeling op nihil wordt gesteld.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. de Jong en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.

1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2026026142, gesloten op 12 juni 2026.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 518 en 519;

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 530;

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 523;

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 625 en 626;

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 547 en kennisgeving van inbeslagname p. 1267;

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 550;

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 334 en 335;

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »