RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.287700.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats 1] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzittingen van 27 augustus 2026 en 8 september 2026.
Verdachte is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 verschenen, bijgestaan door
mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Ter terechtzitting van 8 september 2026 zijn hij en zijn raadsman niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 27 augustus 2026 vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma en ter terechtzitting van 8 september 2026 door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 december 2025 te Drachten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
-
een jas (merk Canada Goose t.w.v. c.a. 800 euro) en/of
-
een riem (merk Louis Vuitton t.w.v. c.a. 400 euro)
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich en/of zijn mededaders wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij niet mocht opstaan en/of
-
(vervolgens) meermaals met gebalde vuist en/of vlakke hand te slaan op het hoofd althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
-
het haar van die [slachtoffer] af te knippen en/of
-
bakboter te spuiten op die [slachtoffer] en/of
-
die [slachtoffer] de woorden toe te voegen als we je zien dan praten we wel even goed;
hij op of omstreeks 1 december 2025 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
-
tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij niet mocht opstaan en/of
-
door met een groep van acht, althans meerdere personen, door hun overwicht ten opzicht van die [slachtoffer] hem de kans te ontnemen om (zijn eigen) woning te ontvluchten;
hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer een hoeveelheid
-
MDMA en/of
-
cocaïne en/of
-
heroïne en/of
-
XTC en/of
-
ketamine en/of
-
3MMC en/of
-
2MMC en/of
-
een andere stof zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde.
Zij heeft ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde het volgende aangevoerd.
Er is in beginsel geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. Aangever verklaart dat hij is mishandeld door een groep personen in zijn woning. Hierbij zijn ook zijn haren op willekeurige plaatsen afgeknipt en is zijn jas van het merk Canada Goose met een opvallende beschadiging en zijn grijs/wit geblokte riem met een gouden embleem van het merk Louis Vuitton weggenomen.
Aangever mocht van de groep zijn woning niet verlaten en moest op zijn bank blijven zitten.
De aangifte vindt steun in andere bewijsmiddelen. Wanneer de politie ter plaatse komt zien zij de willekeurig afgeknipte haren van aangever. De jas van het merk Canada Goose met de opvallende beschadiging is aangetroffen bij medeverdachte [medeverdachte 1] . Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart wisselend over de herkomst van de jas. Bij medeverdachte [medeverdachte 2] is een riem aangetroffen die gelijkenissen zou hebben met de riem die bij aangever is weggenomen. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart zeer wisselend over de herkomst van de riem. Daarom kan er van worden uitgegaan dat dit de jas en riem van aangever zijn.
Verdachte heeft bekend dat hij in de woning van aangever aanwezig was samen met in ieder geval medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Aangever heeft verdachte herkend als de persoon die zijn haren heeft afgeknipt. Volgens verdachte heeft hij vriendschappelijk met aangever in de woning gevochten. Dat er vrijwillig is gevochten is, gelet op de eerder geschetste omstandigheden, waarbij aangever pijn en letsel heeft opgelopen, zijn haren zijn afgeknipt en zijn dure spullen zijn weggenomen, niet geloofwaardig. Diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. De verklaring van verdachte, dat hij pas vanaf december 2025 in harddrugs heeft gehandeld, is niet geloofwaardig. Uit onder meer de verklaring van [getuige 1] blijkt dat zij al vanaf juli 2024 in aanraking kwam met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] in combinatie met drugs. Daarmee is de onder
3. ten laste gelegde periode niet te ruim.
Ten aanzien van de middelen ketamine en 2MMC heeft de officier van justitie ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat ketamine strafbaar is gesteld in de geneesmiddelenwet en 2MMC een middel is genoemd op lijst IA behorende bij de Opiumwet, nu de tenlastelegging hier niet op ziet, kan geen kwalificatie voor deze middelen volgen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte ontkent het geweld en bovendien heeft het geweld geen bijdrage geleverd bij de vermeende diefstal. Bij verdachte ontbreekt bovendien het opzet voor zowel het gronddelict als voor iedere deelnemingsvorm hiertoe. Verdachte moet daarom van het onder 1. ten laste gelegde worden
vrijgesproken.
De aanwezigheid van meerdere personen en het bestaan van een intimiderende situatie leveren niet zonder meer bewijs op dat ieder aanwezig groepslid het opzet had op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit het bewijs moet blijken welke gedragingen verdachte heeft verricht waaruit zijn bewuste samenwerking aan de vrijheidsberoving kan volgen. Enig zelfstandig objectief bewijs hiervoor ontbreekt, zodat verdachte ook van het onder 2. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het niet bewijsbare gedeelte van de ten laste gelegde periode. Bewezen kan worden de periode waarin de betrokkenheid van verdachte uit concrete bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde het volgende vast.
Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat op de avond van 1 december 2025 [medeverdachte 1] in de woonkamer van zijn woning in [woonplaats 1] staat. Even later komen er nog vier personen zijn woning binnen. Het gaat om een man van buitenlandse herkomst, mogelijk Russisch, met een volle baard, die hij kent als “ [bijnaam 1] ”, een man met een getinte huidskleur en een afro kapsel en een jas van het merk Canada Goose, een Nederlandse jongen van 17 à 18 jaar en een getinte jongen. Hij is door al deze personen anderhalf uur lang, meerdere keren gericht geslagen op zijn hoofd. Dat gebeurde zowel met vuisten als met de vlakke hand in het gezicht. Daardoor raakte zijn rechterkaak opgezwollen en hij had veel pijn aan zijn gezicht. De personen zeiden dat hij geld moest regelen en dat hij 120 euro moest betalen. Op enig moment pakte [bijnaam 1] een schaar waarmee het haar van [slachtoffer] is afgeknipt. Hij hoorde de anderen lachen. [slachtoffer] durfde hier niks tegen te doen, omdat ze met zon grote groep waren. Op enig moment zag en voelde hij dat hij met bakboter werd ondergespoten. Wederom hoorde hij dat ze allemaal aan het lachen waren. Eén van de personen vroeg of hij iets van waarde had in zijn woning wat ze konden meenemen. Hij zag dat ze zijn woning gingen doorzoeken. De persoon met het afro kapsel zei tegen [slachtoffer] dat hij zijn riem van het merk Louis Vuitton moest afdoen. Dat heeft hij gedaan en hij heeft de riem op de salontafel gelegd. Hij heeft gezien dat de persoon met het afro kapsel zijn riem pakte en deze meenam. Het betreft een grijs/wit geblokte riem met een gouden embleem. Voordat ze vertrokken zeiden meerdere personen tegen hem dat ze zijn jas zouden meenemen. Dit was een jas van het merk Canada Goose die over een stoel hing in de woonkamer. Deze jas is te herkennen aan een ontbrekende flap van de rechterzak aan de voorzijde van de jas.2 De jas is weggenomen.3
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij een discussie hadden en gingen vechten. Dit was in de woning van [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] daardoor letsel, zoals blauwe plekken en zwellingen in zijn gezicht, heeft opgelopen kan verdachte wel begrijpen. Hij heeft vervolgens tegen [slachtoffer] gezegd, terwijl de woonkamer vol mensen zat, dat ze hem kaal gingen knippen, omdat hij hem nog geld verschuldigd was. [slachtoffer] is met een schaar kaalgeknipt. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] een jas gelijkend op een jas van het merk Canada Goose. Toen [slachtoffer] de jas kreeg was die jas al stuk, met zon gat aan de voorkant.4 Verdachte heeft verklaard dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die dag, 1 december 2025, ook in de woning van [slachtoffer] aanwezig waren.5
Op 10 maart 2026 is een doorzoeking geweest in de woning van [medeverdachte 2] . Op zijn bed is een grijs/wit geblokte riem aangetroffen met een gouden embleem van het merk Louis Vuitton.6 Zijn moeder vertelde tijdens de doorzoeking dat ze deze riem iets van drie maanden eerder al had gezien.7
Ook op 10 maart 2026 is er een doorzoeking geweest in de woning van [medeverdachte 1] . Op de bank in de woonkamer werd een jas van het merk Canada Goose aangetroffen. De flap van de rechterzak aan de voorzijde van de jas ontbreekt.8
Overwegingen over het bewijs
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal die is voorafgegaan van geweld, gepleegd om de diefstal gemakkelijk te maken. Verdachte was in de woning aanwezig en heeft geweld gebruikt tegen aangever door hem tegen zijn hoofd te slaan. Ook heeft hij het haar van aangever afgeknipt.
De rechtbank stelt vast dat het niet anders kan dan dat de bij medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen riem en de bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen jas, de riem en de jas van aangever zijn die op 1 december 2025 bij aangever zijn weggenomen. De jas is niet alleen van hetzelfde merk als de jas van aangever, maar vertoont bovendien specifieke gelijkenis met die jas. De klep van de rechter jaszak ontbreekt, precies zoals aangever heeft verteld. De politie heeft fotos gezien waarop aangever de door hem beschreven jas draagt en verdachte heeft bevestigd dat aangever een dergelijke jas met dat specifieke kenmerk had. De riem die bij aangever is weggenomen is voor wat betreft merk, patroon, kleur en embleem soortgelijk aan de riem die bij medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen. Verbalisanten hebben een foto gezien waarop aangever de door hem beschreven riem droeg. Bovendien heeft de moeder van medeverdachte [medeverdachte 2] de betreffende riem zon drie maanden voor 10 maart 2026 en dus kort na de diefstal, bij hem gezien.
Zowel medeverdachte [medeverdachte 2] als medeverdachte [medeverdachte 1] ontkennen dat de bij hen aangetroffen riem, respectievelijk jas, van aangever zijn en bij hem zijn weggenomen. Hun verklaringen vindt de rechtbank niet geloofwaardig, omdat ze wisselend en tegenstrijdig zijn over de herkomst van de goederen en niet zijn te controleren.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Hoewel de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen wie de jas en de riem van aangever daadwerkelijk heeft of hebben weggenomen, is zij van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal. Hij maakte deel uit van een groep van vijf (jonge) mannen die bij aangever in de woning was, omdat hij een schuld aan verdachte zou hebben. Vanwege die schuld werd hij door hen geslagen en werden zijn haren afgeknipt. Vervolgens doorzochten de mannen de woning op zoek naar iets van waarde. Uiteindelijk zijn de riem en de jas van aangever weggenomen. Hieruit blijkt dat het oogmerk van de groep was gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van goederen en/of geld van aangever. Het geweld is daarbij instrumenteel geweest, en heeft de diefstal gemakkelijk gemaakt. Dat verdachte hierbij nauw betrokken was blijkt uit de omstandigheid dat het een schuld aan hem betrof die door aangever moest worden ingelost en alle gebeurtenissen in het licht daarvan gezien moeten worden. Daarbij komt dat de feitelijke handelingen die zijn ten laste gelegd steeds zijn gepleegd terwijl de verdachten samen waren met aangever, waarbij hun rollen min of meer inwisselbaar waren.
De rechtbank hecht geen geloof aan de inkleuring die verdachte later heeft gegeven aan zijn verklaring dat hij met aangever heeft gevochten, namelijk dat dat vriendschappelijk was en eerder stoeien dan vechten. De rechtbank acht het eveneens ongeloofwaardig dat verdachte aangevers haren voor de grap heeft afgeknipt of zelfs op diens verzoek, omdat hij eenzelfde haardracht wilde als verdachte (zoals verdachte ter zitting geeft verklaard). Dit wordt ook weersproken door de waarneming van verbalisanten dat het haar van het slachtoffer op willekeurige plekken was afgeschoren dan wel afgeknipt.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht het eerste en laatste gedachtestreepje van de tenlastelegging onder 1. niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Voor het eerste gedachtestreepje geldt dat uit de aangifte volgt dat dit is gezegd door medeverdachte [medeverdachte 1] toen verdachte nog niet aanwezig was. Voor het laatste gedachtestreepje geldt dat aangever op 5 december 2025 wel heeft verklaard dat hij naderhand een snapchat bericht heeft ontvangen waarin stond: “Als we je zien, dan praten we wel even goed”, maar niet duidelijk is wanneer dit bericht is verstuurd en door wie. Bovendien was dit nadat de goederen reeds waren gestolen en het delict was voltooid.
Vrijspraak ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde
Beoordeeld moet worden of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving en het beroofd houden van aangever. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht stelt een tweetal gedragingen strafbaar: beroven van de vrijheid en van de vrijheid beroofd houden. Naast het van de vrijheid beroven is het beroofd houden strafbaar gesteld, opdat ook strafbaar zou worden hij die een oorspronkelijk niet wederrechtelijk of niet door hem gepleegde vrijheidsberoving wederrechtelijk voortzet. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als iemand zich van de plaats waar hij zich bevindt niet kan verwijderen, ofwel omdat hem dat fysiek wordt belet, ofwel omdat als hij dat wel zou doen hij zelf geweld zou moeten plegen of ondergaan.
In zijn aangifte verklaart [slachtoffer] dat medeverdachte [medeverdachte 1] eerst alleen bij hem in de woning was, en tegen hem zei dat hij niet mocht opstaan en dat hij geld moest betalen. Vervolgens belde hij zijn vrienden. Even later stonden er nog vier personen in aangevers woning.
Omdat verdachte nog niet in de woning van aangever was toen medeverdachte [medeverdachte 1] aangever verbood om op te staan en ook niet blijkt dat hij hiervan op de hoogte was, kan dit niet aan hem worden toegerekend.
Hoewel verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die ongeveer anderhalf uur in de woning van aangever heeft verbleven en geweld tegen hem heeft gepleegd, kan uit de inhoud van het dossier en wat op de zitting is besproken niet worden afgeleid dat aangever niet de mogelijkheid had om zijn woning te verlaten. Dat is hem niet fysiek onmogelijk gemaakt, en ook blijkt niet dat hij vergeefse pogingen heeft
ondernomen om weg te komen. In de bewijsoverwegingen bij het onder 1. ten laste gelegde heeft de rechtbank overwogen dat het doel van de groep verdachten was om de schuld, die aangever bij de verdachte had, te innen. Daarbij is weliswaar geweld gebruikt tegen aangever, maar het is niet zonder meer duidelijk dat als aangever had willen vertrekken, hem dat (met geweld) zou zijn belet of dat hij daarvoor zelf geweld zou hebben moeten gebruiken.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 2. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde: periode van december 2025 tot en met 10 maart 2026
De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit ten aanzien van de periode december 2025 tot en met 10 maart 2026 met betrekking tot de cocaïne, MDMA en 2MMC duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien van deze periode en deze middelen met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2026, opgenomen op pagina 283 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026026142 d.d. 12 juni 2026, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2026, opgenomen op pagina 437 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde: periode van 5 april 2025 tot december 2025 en de 3MMC in de gehele bewezenverklaarde periode
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen9 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van de periode van 5 april 2025 tot december 2025 en de 3MMC in de gehele ten laste gelegde periode het volgende vast.
Uit de verklaring van [getuige 1] , die zij op 12 september 2025 heeft afgelegd, blijkt dat zij sinds ongeveer juli 2024 contact heeft met twee personen genaamd [bijnaam 2] en [bijnaam 3] . [bijnaam 2] is de voornaam van deze persoon en ze noemt hem ook wel [bijnaam 2] . Volgens [getuige 1] noemt hij zichzelf ook wel [bijnaam 2] . De twee mannen gebruiken de namen [bijnaam 3] en [bijnaam 2] . Sinds ze hen kent is zij steeds meer cocaïne gaan gebruiken. Zij moet hen voor de cocaïne betalen.10 [getuige 1] is op 26 september 2025 aanvullend gehoord en heeft toen verklaard dat zij twee dagen geleden voor het laatst cocaïne heeft gekocht. Deze drugs had ze van [bijnaam 3] / [bijnaam 2] . [bijnaam 3] is volgens haar de gebruikersnaam op Whatsapp waar meerdere dealers in staan. Ze hebben ook meerdere jongens voor hen lopen. Volgens [getuige 1] bestaat de groep uit acht tot tien personen. Onder andere [bijnaam 3] en [bijnaam 3] zijn de [bijnaam 2] . Als [getuige 1] drugs wil dan appt ze altijd en krijgt daarna geleverd. Het betreft volgens [getuige 1] een dealerstelefoon die onderling wordt gerouleerd. Ze kunnen altijd leveren.11
Uit de verklaring van een onbekend gebleven drugsgebruiker van 18 maart 2026 blijkt dat hij sinds anderhalve maand zijn 3MMC en cocaïne bestelt via het telefoonnummer [bijnaam 3] . Hij betaalt 20 euro per 2 gram 3MMC en 50 euro per gram cocaïne. De drugs hebben de uitwerking die hij hiervan verwacht.12 Dit is het nummer dat werd gebruikt in de telefoon van het merk Redmi, die bij medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen. Uit de gegevens van deze telefoon blijkt dat de
gebruiker [naam 1] aan dit nummer is gekoppeld.13 Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf december 2025 via [naam 1] cocaïne heeft verkocht. Ook heeft hij verklaard dat hij wel [bijnaam 3] wordt genoemd.14 In de voornoemde telefoon staat het volgende chatbericht van 7 maart 2026: [naam 1] zegt dat hij actief is en dat hij die ene met baard van [bijnaam 2] vroeger is. Hij kan wel 3m leveren. [bijnaam 3] wordt in het politieonderzoek herkent als een manspersoon met een grote baard.15
In de woning van verdachte in Drachten is een telefoon van het merk Motorola aangetroffen. Onder andere het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is aan deze telefoon gekoppeld. Uit de gegevens van deze telefoon blijkt dat hierop berichten zijn opgeslagen van een persoon die zichzelf [bijnaam 2] noemt. De volgende Whatsapp gesprekken zijn in de telefoon aangetroffen:
Op 11 oktober 2025 heeft [bijnaam 2] een gesprek met [naam 2] over de kwaliteit van hun 3M. Uit het gesprek blijkt dat er 2 gram wordt afgeleverd aan de [adres 1] en dat hiervoor 20 euro moet worden betaald.
Op 5 oktober 2025 levert [bijnaam 2] 1 gram coke voor 50 euro aan [adres 2] in Drachten af.16
Op 19 april 2026 heeft [getuige 2] verklaart dat hij al twee jaar cocaïne koopt van [medeverdachte 3] . Hij bestelde zijn cocaïne via het account [bijnaam 2] , maar ook wel via [bijnaam 3] .17 Uit de telefoongesprekken van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] blijkt dat [getuige 2] de gebruiker is van dit nummer. Op 21 februari 2026 vraagt [getuige 2] aan [naam 3] of hij die lijn van [bijnaam 3] en [bijnaam 2] kent. Die kent [naam 3] wel. Volgens [getuige 2] heeft [bijnaam 3] alles met [bijnaam 3] opgebouwd.18
Bewijsoverweging
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval vanaf 5 april 2025 samen met [medeverdachte 3] cocaïne, MDMA, 2MMC en 3MMC heeft verkocht en afgeleverd via de accounts [bijnaam 2] en [bijnaam 3] . Ze werkten hierbij nauw samen en hadden meerdere personen die voor hen de drugs naar de klanten brachten. Vanaf december 2025 is verdachte doorgegaan onder het account [naam 1] waarbij vooral anderen de verdovende middelen naar de klanten brachten.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering bij het verkopen en afleveren van cocaïne, MDMA, 2MMC en 3MMC in de periode van 5 april 2025 tot en met 10 maart 2026. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen voor de gehele periode bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1., en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 1 december 2025 te Drachten, tezamen en in vereniging met anderen,
-
een jas van het merk Canada Goose en
-
een riem van het merk Louis Vuitton
die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich en zijn mededaders wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
-
meermaals met gebalde vuist en vlakke hand te slaan op het hoofd van [slachtoffer] en
-
het haar van [slachtoffer] af te knippen en
-
bakboter te spuiten op [slachtoffer] .
3.
hij in de periode van 5 april 2025 tot en met 10 maart 2026 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid
-
MDMA;
-
cocaïne;
-
3 MMC en
-
2 MMC.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Anders dan door de officier van justitie is betoogd, kan de rechtbank de handel in 2MMC wel als een strafbaar feit aanmerken. De rechtbank heeft daarbij gelet op artikel 10b van de Opiumwet in samenhang met in artikel 2a van die wet.
Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
3. medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van de voorgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstaf met aftrek van het voorarrest, waarbij de duur van de gevangenisstraf rekening moet worden gehouden dat verdachte van het onder 1. en 2. ten laste gelegde en een deel van de periode van het onder 3. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland op 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft samen met anderen een diefstal voorafgegaan van geweld gepleegd. Het slachtoffer betrof een kwetsbare jong volwassene, die in zijn woning van een begeleid wooninstelling, door verdachte en zijn mededaders ongeveer anderhalf uur is mishandeld en vernederd, waarbij zijn haren zijn afgeknipt en hij is ondergespoten met bakboter. Vervolgens hebben ze een (dure) merkjas en -riem gestolen. Verdachte had hierbij een aansturende rol. Hij was degene die vond dat hij nog geld van het slachtoffer tegoed had en hij heeft het initiatief tot de mishandeling en de haren afknippen genomen.
De rechtbank vindt dit een zeer ernstig delict. Verdachte en zijn medeverdachten hebben het slachtoffer in zijn woning overvallen, mishandeld en vernederd. In zijn eigen woning behoort men zich veilig en geborgen te voelen. Het machtsvertoon en de brutaliteit van het handelen van verdachte en zijn mededaders vindt de rechtbank zeer kwalijk. Hun gedrag heeft ook grote gevolgen voor het slachtoffer gehad. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat hij nadien erg bang was en niet meer over straat durfde uit angst voor verdachte en zijn mededaders en bang was om alleen thuis te zijn. Hij heeft nadien psychische klachten en heeft hiervoor hulp gezocht bij de Geestelijke Gezondheidszorg.
Hiernaast heeft verdachte zich gedurende een periode van ruim elf maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs. Verdachte had hierbij eveneens een aansturende rol waarbij hij meerdere, veelal kwetsbare jongeren, bij de strafbare feiten heeft betrokken door hen de drugs voor hem
te laten bezorgen. Verdachte heeft daarom niet enkel de volksgezondheid geschaad en de verslavingen van anderen in stand gehouden, maar heeft ook kwetsbare jongeren het criminele circuit ingetrokken. De rechtbank vindt dit zeer kwalijk. Ter zitting heeft verdachte deels verantwoordelijkheid genomen voor deze strafbare gedragingen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Wel is verdachte meerdere malen veroordeeld voor geweldsdelicten. Van een van deze veroordelingen, van de politierechter van 26 september 2025, liep verdachte ten tijde van het plegen van de diefstal voorafgegaan van geweld in een proeftijd met bijzondere voorwaarden. Dit heeft hem er niet van weerhouden in herhaling te vallen. Op 28 en 29 januari 2026 is verdachte door de politierechter veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 en openlijk in vereniging geweld plegen.
Deze strafzaken hadden in theorie gezamenlijk met de onderhavige strafzaak kunnen worden afgedaan, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Hetzelfde geldt voor voornoemde veroordeling van de politierechter van 26 september 2025. Deze veroordeling valt in de pleegperiode van de Opiumwetdelicten. De rechtbank is van oordeel dat deze veroordelingen, gelet op hun aard en ernst, weinig tot geen strafverminderende invloed hebben op de strafmaat in de onderhavige strafzaak.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van psychosociale problematiek en dat hij zijn praktische leefgebieden niet op orde heeft. Hierom vindt de reclassering interventies geïndiceerd. Verdachte is echter niet gemotiveerd om te werken aan gedragsverandering en risicobeheersing. Hierdoor ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Verdachte heeft ter terechtzitting ook aangegeven dat hij geen reclasseringstoezicht wil en dat hij graag een onvoorwaardelijk opgelegde straf wenst, zodat hij deze zaak kan afsluiten zonder dat er nog iets open staat. Omdat duidelijk is dat verdachte niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken met de reclassering aan gedragsverandering, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met eventuele bijzondere voorwaarden.
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de strafbare feiten en de pleegperiode van de opiumwetfeiten, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Bij het bepalen van de hoogte van deze straf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden dat sprake is van medeplegen, dat verdachte daarbij een aansturende rol heeft gehad, het slachtoffer een kwetsbaar jong volwassene betreft en verdachte veelvuldige recidive heeft inzake geweldsdelicten en hiervoor zelfs nog in een proeftijd met bijzondere voorwaarden liep.
Ondanks dat de rechtbank een feit minder bewezen vindt dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel, mede gelet op voornoemde oriëntatiepunten, dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de strafbare feiten.
Alles afwegend vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden en zal deze straf opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Inbeslaggenomen goederen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verbeurdverklaring van de volgende voorwerpen:
-
een mobiele telefoon met goednummer 1919652;
-
een mobiele telefoon met goednummer 1919768;
-
een geldbedrag van 780,- met goednummer 1919773.
Tevens heeft zij gevorderd de onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:
-
een gasdrukwapen met goednummer 1919633;
-
een lachgascilinder met goednummer 1919645.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen standpunt ingenomen omtrent de inbeslaggenomen goederen.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
-
een mobiele telefoon van het merk Motorola met goednummer 1919652;
-
een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1919768,
vatbaar voor verbeurdverklaring nu het bewezenverklaarde hiermee is begaan en deze toebehoren aan verdachte.
De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten 780,- met goednummer 1919773, vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde is verkregen en dit toebehoort aan verdachte.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank acht het aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerp, te weten een lachgascilinder van het merk Fastwhip met goednummer 1919645, gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
De rechtbank acht het aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerp, te weten een luchtdrukwapen van het merk en type merk Artenis SR1250s, met goednummer 1919633, eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank ziet geen verband tussen het inbeslaggenomen voorwerp en het bewezenverklaarde strafbare feit. Het is evenmin een voorwerp dat kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het niet maatschappelijk verantwoord is om te gelasten dat een luchtdrukwapen wordt teruggegeven aan verdachte. De rechtbank gelast daarom de onttrekking aan het verkeer van dit inbeslaggenomen wapen, onder vermelding van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij
Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.572,- ter vergoeding van materiële schade en 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de schade het standpunt ingenomen dat de materiële schade aan de jas ad 800,- en de kapperskosten ad 22,- hoofdelijk moeten worden toegewezen. De benadeelde partij heeft deze schade niet onderbouwd met stukken, maar volgens de officier van justitie kan de rechtbank deze schade aannemelijk vinden en gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Tevens acht de officier van justitie de immateriële schade deels hoofdelijk toewijsbaar, maar ten aanzien van de hoogte daarvan heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 en vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering moet worden afgewezen, omdat een deugdelijke onderbouwing ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd, die bestaat uit de volgende posten: Canada Goose jas (weggenomen), bank (materieel), broeken (weggenomen), schoenen (weggenomen), truien (weggenomen) en kapperskosten.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, bestaande uit schade aan de bank, de jas en kapperskosten.
Er bestaat een rechtstreeks verband tussen het onder 1. bewezen verklaarde feit en deze schade. De hoogte van de schade is door de benadeelde niet verder onderbouwd. Omdat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).
De rechtbank schat de materiële schade op een bedrag van 150,- in totaal. De rechtbank zal het meer of anders gevorderde ten aanzien van deze posten afwijzen. Vanwege het ontbreken van rechtstreeks verband tussen het onder 1. bewezen verklaarde feit en de overige gevorderde materiële schade, zal de rechtbank de vordering op dat punt niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft 10.000,- aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van
oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank neemt daarbij de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Deze brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij na het voorval angstig is om de straat op te gaan, maar ook in zijn eigen huis. Bovendien voelt hij zich erg gekleineerd doordat zijn haar is afgeknipt. Hij heeft op het moment van indienen van de vordering (juni 2026) nog steeds psychische klachten als gevolg van wat hem is overkomen.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal en uitspraken in vergelijkbare zaken. Gelet daarop acht de rechtbank een bedrag aan immateriële schadevergoeding van 3.500,- billijk. Daarbij heeft de rechtbank een verhoging toegepast voor de jeugdige leeftijd van de benadeelde, in overeenstemming met de bij de Rotterdamse schaal behorende aanbevelingen. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij in zoverre dan ook toe tot een bedrag van
3.500,-, onder afwijzing van het meer of ander gevorderde.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al /hebben betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van in totaal 3.650,- hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 47, 56, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a, 10, 10b en 13a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
-
een mobiele telefoon van het merk Motorola met goednummer 1919652;
-
een mobiele telefoon van het merk Apple iPhone met goednummer 1919768;
-
een geldbedrag, te weten 780,-, met goednummer 1919773.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
-
een lachgascilinder van het merk Fastwhip met goednummer 1919645;
-
een luchtdrukwapen van het merk en type merk Artenis SR1250s, met goednummer 1919633.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn
bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
-
het bedrag van 3.650,- (zegge: drieduizend zeshonderd vijftig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor de overig gevorderde materiële schade ad.
450,- niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor de overig gevorderde materiële schade ad. 972,- en overig gevorderde immateriële schade ad. 6.500,- af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.650,-(zegge: drieduizend zeshonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 150,- aan materiële schade en 3.500,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 36 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. A. de Jong en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2026026142, gesloten op 12 juni 2026.
2 Proces-verbaal van aangifte, p. 518 en 519;
3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 530;
4 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 625 en 626;
5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 augustus 2026;
6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 547 en kennisgeving van inbeslagname, p. 1267;
7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 550;
8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 334 en 335.
9 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2026026142, gesloten op 12 juni 2026.
10 Proces-verbaal van bevindingen, paginas 103, 105, 106, 136 en 137;
11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 141, 143;
12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 479;
13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 437 en 438;
14 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2026;
15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 437 en 438;
16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 290, 299, 300 en 309;
17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 492;
18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 467.