ECLI:NL:RBNHO:2026:9871

Datum uitspraak
13-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/15/375252 / FA RK 26-1076
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De minderjarige is in juli 2025 middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij de (biologische) grootmoeder (biologische vaderzijde) geplaatst. De rechtbank stelt vast dat beide (juridische) ouders van rechtswege zijn geschorst in het gezag en benoemd de (biologische) grootmoeder tot voogdes van de minderjarige. De juridisch vader is niet de biologische vader van de minderjarige en verblijft in [land]. De moeder is in oktober (definitief) teruggekeerd naar [land] en is niet in staat gebleken om op afstand haar gezag vorm te geven. Hierdoor kunnen belangrijke beslissingen over de minderjarige niet of niet tijdig worden genomen. De rechtbank onderschrijft ten overvloede het standpunt van de Raad dat het van belang is dat de juridische status van de minderjarige in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank verklaart de Raad niet-ontvankelijk in zijn verzoek strekkende de benoeming van een bijzondere curator in een afstammingszaak.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

voorziening in voogdij ex artikel 1:253q jo 1:253r BW en benoeming van een bijzondere curator afstammingszaken

zaak-/rekestnr.: C/15/375252 / FA RK 26-1076

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 13 juli 2026

gegeven op het verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming

gevestigd te Haarlem,

hierna mede te noemen: de Raad,

strekkende tot een (tijdelijke) voorziening in voogdij over de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

hierna tevens te noemen: [de minderjarige] ,

wonende in [plaats] ,

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder

wonende in [land] ,

[de juridische vader] ,

hierna te noemen: de juridische vader

wonende in [land] ,

[de biologische vader] ,

hierna te noemen: de biologische vader,

wonende in [plaats] ,

[de grootmoeder] ,

hierna te noemen: de grootmoeder,

wonend in [plaats] ,

de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI,

gevestigd in [plaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

  • het verzoekschrift van 11 februari 206, met bijlagen, van de Raad, strekkend tot een tijdelijke voorziening in voogdij over [de minderjarige] ;

  • de bereidverklaring van de grootmoeder van 5 februari 2026, tot aanvaarding van de voogdij over [de minderjarige] .

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding), bijgestaan door een telefonische tolk in de [taal] taal;

- namens de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • de grootmoeder (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding).

Gelijktijdig met deze verzoeken is het verzoek van de GI behandeld, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , bij de rechtbank bekend onder zaaknummer: C/15/380070 / JU RK 26-1073. De rechtbank heeft de beslissing in die zaak in een aparte beschikking vastgelegd.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de juridische vader zijn op [datum] met elkaar gehuwd.

2.2.

De moeder is in 2022 met haar twee oudere kinderen naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog in [land] .

2.3.

De moeder en de biologische vader hebben in Nederland een affectieve relatie met elkaar gekregen.

2.4.

[de minderjarige] is op [geboortedatum] , tijdens het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader, geboren uit de affectieve relatie tussen de moeder en de biologische vader.

2.5.

De moeder en de juridische vader zijn van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.6.

De moeder en de biologische vader hebben hun affectieve relatie in januari 2025 verbroken.

2.7.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 juli 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 31 juli 2026.

2.8.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 juli 2025 tevens de

machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de biologische grootouders vaderszijde, tot 31 januari 2026. Deze machtiging is daarna verlengd tot 31 juli 2026.

2.9.

[de minderjarige] verblijft sindsdien op basis van voornoemde machtiging bij de grootmoeder en haar partner. De biologische vader van [de minderjarige] verblijft ook bij de grootmoeder, maar is niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

2.10.

De moeder is op 10 oktober 2025 met haar oudere kinderen terug verhuisd naar [land] en heeft zich daar gevestigd.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt de rechtbank primair vast te stellen dat de ouders, [de juridische vader] , geboren op [geboortedatum] ( [land] ) en [de moeder] , geboren op [geboortedatum] ( [land] ) van rechtswege zijn geschorst in hun gezag nu zij, al dan niet tijdelijk, niet in staat zijn het gezag uit te oefenen. Subsidiair verzoekt de Raad het gezag van beide ouders te beëindigen. De Raad verzoekt, nu er niet in het wettig vereist gezag is voorzien, [de grootmoeder] (de grootmoeder), geboren op [geboortedatum] te benoemen tot voogdes over [de minderjarige] . De Raad verzoekt tevens een bijzondere curator aan te stellen teneinde een procedure te starten om het vaderschap van de heer Levenec te ontkennen.

3.2.

De Raad is van mening dat de ouders beide van rechtswege zijn geschorst in hun gezag. De juridische vader is geheel niet bereikbaar, heeft ook nooit een rol gespeeld in het leven van [de minderjarige] en is biologisch niet aan hem verwant. De moeder is onvoldoende bereikbaar, waardoor belangrijke beslissingen niet of niet tijdig kunnen worden genomen. De Raad vindt daarom dat beide ouders, al dan niet tijdelijk, niet in staat zijn om hun gezag uit te oefenen. De grootmoeder geeft wel aan dat de moeder de laatste tijd beter bereikbaar is voor haar, maar dat is een nog zeer prille ontwikkeling. De grootmoeder loopt tegen juridische zaken aan. Zo is het nog steeds niet gelukt een legitimatiebewijs voor [de minderjarige] aan te vragen en kan hij ook niet worden ingeschreven bij een kinderopvang. Daarnaast toont de moeder geen bereidheid om met de hulpverlening mee te werken of dit contact te onderhouden.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij niet achter het verzoek van de Raad staat. Vanwege de oorlog in [land] is zij niet in staat om fysiek bij de zitting aanwezig te zijn. De moeder heeft aangegeven dat zij graag de papieren wil regelen zodat de biologische vader als vader staat geregistreerd. De moeder erkent dat zij soms moeilijk bereikbaar is dit komt doordat zij in een oorlogsgebied woont en er daar soms langere tijd geen bereik en/of internet is. Zij is dan niet in staat instanties of de grootmoeder telefonisch te woord te staan. De moeder vraagt de rechtbank om haar gezag niet te beëindigen omdat zij zich geen leven zonder [de minderjarige] kan voorstellen.

4.2.

De grootmoeder is het eens met het verzochte en heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De grootmoeder vindt het een moeilijke situatie. Enerzijds loopt zij in het dagelijks leven tegen verschillende problemen aan omdat zij geen voogdij heeft en dus geen beslissingen kan en mag nemen over [de minderjarige] . Anderzijds wil zij de moeder het gezag niet laten ontnemen. Het liefst zou zij samen met de moeder belast worden met het gezag, maar de grootmoeder heeft begrepen dat dat niet kan. De grootmoeder heeft op de zitting ten behoeve van de moeder benadrukt dat het gaat om een tijdelijke voogdijmaatregel en dat de moeder niet bang hoeft te zijn dat zij [de minderjarige] kwijt zal raken.

4.3.

De GI staat achter het verzoek van de Raad. Het contact met de moeder verloopt in principe alleen via WhatsApp. De moeder is noch voor de GI noch voor de grootmoeder goed bereikbaar. Soms reageert zij direct en andere keren duurt het meerdere dagen of weken. Ook in de samenwerking met de GI is de moeder wisselend. Zo zegt de moeder soms dat ze naar Nederland komt om [de minderjarige] op te halen en mee te nemen naar de [land] . De persoonlijke problematiek van de moeder lijkt op de voorgrond te staan en zij is niet in staat om vanuit [land] op een goede manier invulling te geven aan het gezag. De moeder is van plan in [land] te blijven wonen. De GI vindt het daarom goed als de voogdij bij de grootmoeder belegd wordt. Omdat de biologische vader geen gezag heeft, lijkt het ook passend dat iemand van zijn familie de voogdij draagt over [de minderjarige] , die ook zijn dagelijkse verzorger en opvoeder is. De grootmoeder lijkt bovendien prima in staat om beslissingen over [de minderjarige] te nemen en kan dit ook overzien.

5 De beoordeling van de verzoeken

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

De kinderrechter constateert dat [de minderjarige] , de moeder en de juridische vader van [de minderjarige] de [nationaliteit] nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen.

5.2.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

5.3.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Benoeming van een bijzondere curator afstammingszaken

5.4.

De rechtbank stelt vast dat de Raad niet bevoegd is tot het indienen van een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator teneinde een procedure te starten om het vaderschap van [de juridische vader] te ontkennen. De rechtbank zal dit verzoek van de Raad daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Voorziening in voogdij ex artikel 1:253q jo 1:253r BW

5.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253r, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang met artikel 1:253q BW, benoemt de rechtbank een voogd indien één of beide ouder(s) al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert/verkeren het gezag uit te oefenen of indien het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouder(s) onbekend is. Gelet op lid 2 van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouder(s) toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253q, derde lid, BW kan de rechtbank een voogd benoemen indien het gezag van de gezaghebbende ouder geschorst is. De Raad valt onder de in lid 4 genoemde verzoekers, waardoor de Raad kan worden ontvangen in het verzoek.

5.6.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens stelt de rechtbank het volgende vast. De moeder en de juridische vader zijn op [datum] met elkaar gehuwd. De moeder is in 2022 met haar twee oudere kinderen naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog in [land] . De juridische vader woont in de [land] en vervult daar een belangrijke functie in het leger. De moeder en de biologische vader hebben in Nederland een (affectieve) relatie met elkaar gekregen waaruit op [geboortedatum] [de minderjarige] is geboren. [de minderjarige] is aldus geboren tijdens het huwelijk van de moeder met de juridische vader. Dit maakt dat zij van rechtswege gezamenlijk het gezag dragen over [de minderjarige] . De biologische vader heeft [de minderjarige] daarom niet kunnen erkennen en heeft geen gezag. De relatie tussen de moeder en de biologische vader is in januari 2025 verbroken.

5.7.

[de minderjarige] verblijft sinds eind juli 2025op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing, bij de grootmoeder. Voor die tijd verbleef [de minderjarige] al vaak bij de grootmoeder. Zij biedt [de minderjarige] een stabiele opvoedingsomgeving, met veiligheid en structuur. De moeder heeft in de periode voor en na de uithuisplaatsing, wisselend in de [land] en in Nederland verbleven en is in oktober (definitief) teruggekeerd naar de [land] . De juridische vader is nooit betrokken geweest bij [de minderjarige] .

5.8.

Sinds het vertrek van de moeder naar [land] is er geen gezaghebbende ouder van [de minderjarige] in Nederland. Dit betekent dat er niemand in Nederland wettelijk bevoegd is beslissingen te nemen in het belang van [de minderjarige] . Dit hoeft in beginsel geen belemmering te zijn, echter is de moeder onvoldoende in staat gebleken haar gezag op afstand uit te oefenen. De moeder verblijft in een oorlogsgebied waardoor de internet- en telefoonverbinding vaak slecht is. De moeder is (mogelijk daarom) niet goed bereikbaar voor instanties en vaak ook niet voor de grootmoeder. Het duurt soms lang duren voordat de moeder reageert op berichten en hierdoor kunnen belangrijke beslissingen over [de minderjarige] niet of niet tijdig worden genomen. Er kunnen bijvoorbeeld geen besluiten worden genomen over medische zorg, inschrijving bij hulpverlenings- en opvanginstanties. Dit leidt er onder meer toe dat [de minderjarige] nog geen vaccinaties heeft ontvangen, dat hij niet kan worden ingeschreven op een kinderopvang en ook dat er geen paspoort of identiteitskaart aangevraagd kan worden. Hierdoor kan [de minderjarige] niet mee op vakantie naar het buitenland.

5.9.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder en de juridische vader – al dan niet tijdelijk – in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen. Dit betekent dat het gezag van rechtswege is geschorst. Er is daardoor niemand die belangrijke beslissingen over [de minderjarige] kan nemen. De grootmoeder heeft zich bereid verklaard te worden benoemd als voogdes over [de minderjarige] . De grootmoeder is nu ruim een jaar de opvoeder van [de minderjarige] . Zij zorgt goed voor hem en zij heeft de afgelopen periode laten zien dat zij het belang van [de minderjarige] bovenaan zet. De grootmoeder wordt geacht in staat te zijn belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen en daarin zijn belang te laten prevaleren. Bovendien is de grootmoeder bereid de samenwerking met de GI en de hulpverlening aan te gaan en werkt de grootmoeder samen met de moeder en de biologische vader van [de minderjarige] . De rechtbank acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] dat de grootmoeder belangrijke beslissingen over [de minderjarige] kan nemen en zal de grootmoeder benoemen tot voogdes, zoals verzocht.

5.10.

De rechtbank onderschrijft ten overvloede het standpunt van de Raad dat het van belang is dat de juridische status van [de minderjarige] in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Daarvoor dient door de voogdes van [de minderjarige] (namens [de minderjarige] ) een procedure bij de rechtbank aanhangig te worden gemaakt strekkende de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader. In geval de biologische vader [de minderjarige] nadien zal erkennen, zal [de minderjarige] van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Dit zal de zorg over zijn verblijfsstatus wegnemen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

benoemt [de grootmoeder] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , tot voogdes over de minderjarige:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

6.2.

verklaart deze beschikking – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

verklaart de Raad niet-ontvankelijk in zijn verzoek strekkende de benoeming van een bijzondere curator in een afstammingszaak.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. N. Cuvelier, voorzitter, mr. R.M. van Diepen en mr. V.J.A. de Weerd, leden, allen tevens kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.E. Bos als griffier, en op schrift gesteld op 3 augustus 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »