Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3999
Zaaknummer: C/09/703782
Datum beschikking: 30 juli 2026
Voorziening in de voogdij ex artikel 1:253q, lid 2, jo. 1:253r BW
Beschikking op het op 17 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna: de Raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Friperson te ’s-Gravenhage.
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling,
hierna: de beoogd voogdes.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 11 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
[naam 1] namens de Raad;
-
[naam 2] en [naam 3] namens de beoogd voogdes.
De vader is op deze zitting niet verschenen. De vader was voor deze zitting opgeroepen op het adres waarop hij ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP). Tijdens de zitting is echter gebleken dat de vader feitelijk in de Penitentiaire Inrichting (PI) in [plaats] verblijft. De procedure is daarom aangehouden om de vader op de juiste wijze op te roepen, zodat hij in de gelegenheid wordt gesteld om bij de zitting aanwezig te kunnen zijn en desgewenst verweer te kunnen voeren.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen, waarvan zij kennis heeft genomen:
-
het bericht van 14 juli 2026 van de zijde van de beoogd voogdes;
-
het bericht van 15 juli 2026, met producties, van de zijde van de vader.
De behandeling van de zaak is op 16 juli 2026 op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
-
[naam 4] namens de Raad;
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
[naam 2] namens de beoogd voogdes.
Als informanten zijn ook de pleegouders (de oom en tante vaderszijde), [pleegouder 1] en [pleegouder 2], bij de zitting aanwezig geweest.
De minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zijn in de gelegenheid gesteld hun mening over het verzoek te geven, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Feiten
- De moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 1988, en de vader zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2].
-
De ouders zijn met elkaar gehuwd op [datum 1] 2024.
-
De moeder is op [datum 2] 2025 overleden.
-
Sinds het overlijden van de moeder oefent de vader van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
-
Bij beschikking van 28 januari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
de beoogd voogdes belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting op 3 februari 2026.
- Bij beschikking van 3 februari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
de beoogd voogdes belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
vastgesteld dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 28 april 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist.
Verzoek en verweer
De Raad heeft verzocht om de beoogd voogdes te belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de EU-verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111) bevoegd om inhoudelijk kennis te nemen van het verzoek tot voorziening in de voogdij.
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 is Nederlands recht van toepassing.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253q, derde en vierde lid, in samenhang met artikel 1:253r, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek een voogd benoemen indien:
a. de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen; of
b. het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of van één van hen die het gezag uitoefenen, onbekend is.
De Raad valt onder de in artikel 1:253q, vierde lid, BW genoemde verzoekers, waardoor de Raad kan worden ontvangen in het verzoek.
Standpunt van de Raad
In zijn verzoek van 16 april 2026 heeft de Raad zich op het standpunt gesteld dat voor langere tijd moet worden voorzien in de voogdij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat de vader vanwege zijn detentie in [land] sinds maart 2026 onvoldoende in staat is om gezagsbeslissingen te nemen en de rol die hij in de toekomst zou kunnen spelen onzeker is.
De beoogd voogdes zou volgens de Raad belast moeten worden met de voogdij, omdat de Raad het belangrijk vindt dat er intensieve hulpverlening wordt ingezet en de situatie bij de oom en tante verder gemonitord moet worden. De Raad vindt het belasten van de oom en tante met de voogdij op dit moment niet passend; er is nog veel onduidelijkheid over de toekomstige rol van de vader en door de beoogd voogdes kunnen de oom en tante ondersteund worden in alle randzaken en de inzet van hulpverlening.
In het rapport van de Raad komt naar voren dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], ondanks dat zij het fijn hebben bij de oom en tante vaderszijde waar zij sinds januari 2026 wonen. De zorgen over [minderjarige 1] hebben betrekking op weglopen, risicovol en grensoverschrijdend gedrag, schoolverzuim en stemmingsproblemen. Er zou voor haar door [zorginstantie] een intensief behandeltraject zijn geïndiceerd, maar wegens alle onrust en veranderingen is dit traject niet gestart. Bij de oom en tante vaderszijde is sprake van een duidelijke structuur en er wordt veel nabijheid geboden. Het afnemen van de zorgen zet echter niet door. [minderjarige 2] doet het goed op school en heeft een goede vertrouwensband met oom en tante. Het is belangrijk om [minderjarige 2] goed in de gaten te houden, ze krijgt veel voor haar kiezen en wordt ook geconfronteerd met het zorgelijke gedrag van haar zus.
De kinderen worden daarnaast enorm belast met de keuzes die de vader maakt. De Raad is bang dat de kinderen ook belast worden met dingen die ‘geheim moeten blijven’ zoals dat zij contact met de vader hadden toen hij nog niet aangehouden was. Het meedragen van geheimen is een grote last voor de kinderen. Deze last krijgen zij bovenop het enorme verdriet wegens het overlijden en gemis van hun moeder maar ook het gegeven dat hun vader ineens grotendeels uit hun leven verdwenen is.
Tijdens de voortgezette behandeling op de zitting van 16 juli 2026 heeft de Raad verzocht om de beslissing op het verzoek aan te houden, omdat de situatie inmiddels is gewijzigd. Inmiddels is bekend geworden dat de vader in de PI in [plaats] verblijft, zodat de situatie anders is dan op het moment van indiening van het verzoekschrift. De Raad wil opnieuw onderzoek doen naar hoe het nu met de kinderen gaat en welke rol de vader kan spelen. De Raad zal in dat onderzoek beoordelen of het voogdij-verzoek moet worden gehandhaafd, of dat er een ander kader zoals een ondertoezichtstelling nodig is. De voogdij nu beëindigen zou betekenen dat er helemaal geen hulp en ondersteuning meer is. Dat heeft niet de voorkeur van de Raad.
Standpunt beoogd voogdes
De beoogd voogdes kan zich vinden in het verzoek van de Raad om opnieuw onderzoek te doen en de procedure aan te houden. Ook voor hen is het belangrijk om te weten wat de rol van de vader kan zijn.
Standpunt van de vader
De vader wil primair dat het verzoek van de Raad wordt afgewezen, subsidiair stemt hij in met aanhouding van de zaak en meer subsidiair verzoekt hij om zijn broer tot voogd te benoemen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zijn broer heeft zich daartoe ook bereid verklaard.
Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt de vader dat het enkele feit dat hij in detentie verblijft onvoldoende is om aan te nemen dat hij in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen. Hij heeft dagelijks contact met de kinderen, en hij zou bijvoorbeeld een machtiging kunnen geven voor spoedeisende aangelegenheden ten aanzien van het gezag. Een datum waarop zijn strafzaak zal worden behandeld is nog niet bekend, maar de vader heeft wel een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan. Hij verwacht over enkele weken (met een enkelband) naar huis te kunnen. De vader heeft daarbij wel benadrukt dat het niet zijn bedoeling is dat de kinderen dan weer bij hem terug komen; hij is blij dat de kinderen bij zijn broer wonen op dit moment en hij heeft dagelijks telefonisch contact met hen. Ook aan de vereisten voor een eventuele ondertoezichtstelling is volgens de vader niet voldaan, er is wel een bedreigde ontwikkeling maar de hulp wordt voldoende geaccepteerd. Dat de hulpverlening tot nu toe nog niet van de grond is gekomen, ligt niet aan de bereidheid van de oom en tante om daaraan mee te werken. De tijdelijke uitvoering van de voogdij loopt volgens hen moeizaam, en er is in zes maanden tijd nog steeds geen concrete hulpverlening ingezet. Als al een voogdijmaatregel nodig is, dan vindt de vader dat de voogdij bij zijn broer moet worden belegd.
Overwegingen en oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat niet mee in het verweer dat namens de vader is gevoerd dat het verzoek tot voogdij van de Raad nu moet worden afgewezen. In zijn algemeenheid is juist dat, zoals namens de vader naar voren is gebracht, detentie er niet aan in de weg hoeft te staan om gezagsbeslissingen te kunnen nemen. De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of dat ook voor de vader geldt, omdat de situatie nog maar kort geleden is gewijzigd en er geen zicht is op de rol die de vader vanuit detentie kan vervullen. De omstandigheid dat de verblijfplaats van de vader nu bekend is, brengt niet mee dat het verzoek tot voogdij nu direct moet worden afgewezen. Bedacht dient te worden dat de vader, voorafgaande aan zijn detentie, de kinderen op de vlucht voor de politie heeft meegenomen naar [land]. De situatie van de kinderen is, mede gelet op de detentie van de vader, op dit moment nog heel onduidelijk. Bovendien zijn er nog altijd grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het verloop van de strafrechtelijke procedure van de vader is nog onduidelijk en is er daardoor ook nog onvoldoende zicht op het toekomstperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de beoogd voogdes voorlopig belast blijft met de voogdij over hen en dat de Raad gelet op de gewijzigde omstandigheden in de tussentijd zo spoedig mogelijk nader onderzoek gaat doen naar de vraag of de verzochte voorziening in de voogdij nog nodig is, of dat wellicht een andere kinderbeschermingsmaatregel passend is.
Gelet hierop zal de rechtbank de procedure aanhouden voor de duur van drie maanden.
Zoals ook is opgenomen in de beschikking van 3 februari 2026, waarin de voorlopige voogdij is uitgesproken, betekent het voorgaande dat de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doorloopt totdat op het verzoek is beslist.
Beslissing
De rechtbank:
houdt de behandeling van het verzoek aan tot 1 november 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport en eventueel het gewijzigde verzoek te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan de vader en zijn advocaat;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet;
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Noordegraaf als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026. |