RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/704704 / FA RK 26-4542
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
I. Aanhouding verzoek beëindiging ouderlijk gezag vader
II. Beëindiging ouderlijk gezag moeder
III. Schorsing ouderlijk gezag vader
IV. Benoeming voogdij GI
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
geregistreerd in de Basisregistratie Personen als geëmigreerd,
advocaat: mr. G.O. Perquin uit Zoetermeer1,
[de vader] ,
de vermoedelijke juridische vader van [minderjarige] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in Polen,
advocaat: mr. T.Y. Tsang uit Den Haag,
[pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;
-
een nagezonden stuk van de gecertificeerde instelling, zijnde een advies van [naam 1] , ontvangen op 14 juli 2026;
-
de nagezonden stukken van de Raad, ontvangen op 20 augustus 2026.
De advocaat van de vader heeft ter zitting melding gemaakt van ontvangst van een e-mailbericht van de vader. Zij heeft dit e-mailbericht met een kopie van het identiteitsbewijs van de vader op 1 september 2026 aan de rechtbank overgelegd. Deze stukken maken deel uit van het dossier.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
[naam 2] namens de Raad;
-
de advocaat van de moeder;
-
de advocaat van de vader;
-
de pleegouders;
-
[naam 3] namens de gecertificeerde instelling;
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2 De vaststaande feiten
Uit de moeder is op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] de minderjarige [minderjarige] geboren. De moeder is daarom in ieder geval belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de pleegouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 mei 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 mei 2027 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
3 Het verzoek en de gronden
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is vrijwel haar hele leven uit huis geplaatst. Toen zij acht weken oud was, is zij in een crisispleeggezin geplaatst. Vervolgens is zij in september 2024 overgeplaatst naar het huidige pleeggezin. [minderjarige] is gehecht aan het pleeggezin en ontwikkelt zich goed. Er waren wat zorgen over haar spierspanning, maar hiervoor heeft ze fysiotherapie gekregen en dit heeft geholpen. Het is voor de hulpverlening steeds moeizaam geweest om in contact te komen en blijven met de moeder. Sinds [minderjarige] niet meer bij de moeder woont, heeft zij de moeder maar vier keer gezien. De laatste keer was in december 2024. Het is voor de Raad onduidelijk wie de biologische vader van [minderjarige] is. De moeder heeft een naam genoemd en de jeugdbeschermer heeft geprobeerd om in contact te komen met deze man, maar dat is niet gelukt. De moeder bleek nog getrouwd te zijn met een man in Polen, die zodoende de juridische vader van [minderjarige] is en daardoor ook gezag over [minderjarige] heeft. De Raad heeft dit niet kunnen verifiëren, hoewel er wel contact is opgenomen met de Centrale Autoriteit in Polen. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat ook het gezag van de juridische vader wordt beëindigd. De vader heeft tot op heden geen enkele rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . Daarnaast heeft de moeder gezegd dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is en dat er ook nooit contact is geweest tussen hem en [minderjarige] . Ook de jeugdbescherming heeft nooit contact gehad met de vader en zij hebben besloten hem niet te betrekken. De Raad heeft afgeleid uit informatie van de Centrale Autoriteit in Polen dat er voor beide ouders een contactverbod geldt met de (half)broers van [minderjarige] in Polen, dat er sprake was van een zorgelijke (thuis)situatie en dat er een beperking is van hun ouderlijk gezag. Het risico bestaat dat het enkel beëindigen van het gezag van de moeder ertoe leidt dat de vader alleen het gezag draagt over [minderjarige] . Nu er verder niets bekend is over deze man en er ook geen contact met hem is, is dat niet in het belang van [minderjarige] .
De afgelopen jaren is het niet gelukt om te werken aan thuisplaatsing bij de moeder. Sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft zij de moeder maar vier keer gezien. Daarbij is de moeder sinds oktober 2025 helemaal uit contact. Hierdoor heeft [minderjarige] zich ook niet goed en veilig kunnen hechten aan de moeder. Het is voor [minderjarige] , zeker wanneer zij ouder wordt, belangrijk te weten wie haar familie is. De Raad vindt het jammer voor [minderjarige] dat hier op dit moment weinig over bekend is. Het is wel positief dat er door pleegzorg een levensverhaal is gemaakt voor [minderjarige] , waarbij ook de moeder wat vragen voor [minderjarige] heeft kunnen beantwoorden. De Raad is bezorgd over zaken die voor [minderjarige] geregeld moeten worden en waar toestemming voor nodig is van de gezaghebbende ouders. Zo was [minderjarige] voor een operatie afhankelijk van vervangende toestemming van de rechtbank en heeft zij nog steeds geen paspoort. [minderjarige] woont al bijna twee jaar bij de pleegouders en is helemaal ingegroeid in dit gezin. Ze krijgt hier structuur, veiligheid en betrokkenheid geboden en kan zich daardoor positief ontwikkelen. Het perspectief van [minderjarige] ligt dan ook in het pleeggezin. Het is in het belang van [minderjarige] dat het gezag van de moeder en de vader wordt beëindigd. De Raad verzoekt daarbij de voogdij bij de gecertificeerde instelling te beleggen. De pleegouders staan er op dit moment nog niet voor open om de voogdij te dragen. De gecertificeerde instelling kan als professionele partij blijven inzetten op contact met de moeder. Daarbij is het ook van belang dat de moeder weet dat [minderjarige] begeleid wordt door de gecertificeerde instelling.
4 De standpunten van de belanghebbenden
De advocaat van de moeder voert verweer tegen het verzoek. De advocaat heeft in het raadsrapport gelezen dat de moeder de zorg voor [minderjarige] zelf wil dragen. De advocaat heeft de moeder een e-mailbericht gestuurd waarin de moeder is gevraagd contact met haar op te nemen. Dat heeft de moeder niet gedaan. De advocaat heeft de moeder vervolgens bericht dat zij ter zitting zal verschijnen en namens de moeder voormeld verweer zal voeren. Ook daar heeft de moeder niet op gereageerd.
Namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader heeft via een e-mailbericht aan de advocaat, dat aan de rechtbank en de belanghebbenden zal worden overgelegd, laten weten dat hij niet de biologische vader is van [minderjarige] . In het belang van de veiligheid van [minderjarige] doet hij afstand van zijn ouderlijke rechten.
De pleegouders hebben zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het verzoek. Zij hebben ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Zij heeft grote stappen gezet sinds zij in het pleeggezin woont en is volledig onderdeel geworden van het gezin. De pleegouders begrijpen dat de ouders van [minderjarige] altijd een rol zullen spelen in haar leven. Zij hopen dan ook dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder in de toekomst herstelt. De pleegouders staan ervoor open om op termijn met de voogdij belast te worden. Op dit moment is dat nog niet aan de orde. Dat was met name een praktische keuze. De moeder weet de weg te vinden naar de gecertificeerde instelling, wat belangrijk is voor (herstel van) het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast geeft dit de pleegouders de ruimte om uit te zoeken wat er allemaal nodig is voor pleegoudervoogdij.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling maakt zich grote zorgen om de moeder, omdat het al geruime tijd niet lukt om met haar in contact te komen. De gecertificeerde instelling heeft informatie over haar opgevraagd bij de politie maar de politie mocht niets delen. De gecertificeerde instelling zal blijven proberen om contact met de moeder te zoeken, al raken de mogelijkheden daartoe wel uitgeput. Het telefoonnummer van de moeder is buiten gebruik en op (e-mail)berichten wordt niet gereageerd. De gecertificeerde instelling vertrouwt erop dat ook de pleegouders zich zullen blijven inzetten om de ouders te betrekken bij het leven van [minderjarige] . Zij staan open voor contact en hebben zelf een levensboekje met foto’s voor [minderjarige] gemaakt.
5 De beoordeling
Aanhouding verzoek beëindiging ouderlijk gezag vader
De Raad heeft de rechtbank verzocht het ouderlijk gezag van de moeder én de vader te beëindigen. De rechtbank zal daartoe eerst moeten beoordelen of de man de juridische vader is van [minderjarige] en, als dat het geval is, of de vader samen met de moeder belast is met het ouderlijk gezag.
Uit de moeder is op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] de minderjarige [minderjarige] geboren. [minderjarige] , de moeder en de vermoedelijke vader hebben allen de Poolse nationaliteit. Zowel Nederland als Polen zijn partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996. Artikel 16, eerste lid, van dat verdrag bepaalt dat het van rechtswege ontstaan van het gezag, wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Vaststaat dat [minderjarige] in Nederland is geboren en zij hier haar gewone verblijfplaats heeft. Dat betekent dat het Nederlandse gezagsrecht van toepassing is. Op de geboorteakte van [minderjarige] staat alleen de moeder als juridische ouder van [minderjarige] vermeld. In het raadsrapport staat dat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] (en overigens nog steeds) gehuwd is met de heer [de vader] . De rechtbank kan uit de beschikbare stukken echter niet opmaken of de moeder inderdaad getrouwd was met de heer [de vader] ten tijde van de geboorte van [minderjarige] . De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de heer [de vader] de juridische ouder is van [minderjarige] en langs die weg van rechtswege gezamenlijk met de moeder belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige]2. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het verzoek tot gezagsbeëindiging ten aanzien van de vader aan te houden tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer, gelegen vóór 31 maart 2027. De rechtbank geeft de Raad daarbij de opdracht om onderzoek te doen teneinde duidelijkheid te krijgen over het juridisch ouderschap en de gezagspositie van de heer [de vader] . De Raad dient de rechtbank en de belanghebbenden uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te plannen zitting een schriftelijke update (met nadere onderbouwing) over de resultaten van voormeld onderzoek te zenden. Het staat de Raad vrij al hetgeen de Raad verder nog van belang acht in de schriftelijke update op te nemen.
Beëindiging ouderlijk gezag moeder
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.3
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek ten aanzien van haar toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
[minderjarige] is bij beschikking van 15 augustus 2024 met spoed voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. De zorgen waren gelegen in de gebrekkige opvoedvaardigheden van de moeder en haar onmogelijkheden om de adviezen van hulpverleners op te volgen. Daarbij kwam dat de moeder haar woonplek zou verliezen, waardoor er een reëel risico bestond dat zij met de pas enkele weken oude [minderjarige] op straat zou gaan zwerven. Vervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 14 november 2024 onder toezicht gesteld alsmede uit huis geplaatst, omdat de hiervoor genoemde zorgen nog altijd aanwezig waren. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 12 mei 2026. Sinds september 2024 woont [minderjarige] in het huidige pleeggezin. De pleegouders bieden [minderjarige] de structuur en stabiliteit die zij nodig heeft, waardoor zij kan toekomen aan haar ontwikkelingstaken. Sinds de uithuisplaatsing laat zij positieve stappen zien in haar ontwikkeling. [minderjarige] is gehecht aan het pleeggezin en ontwikkelt zich inmiddels leeftijdsadequaat. De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de moeder inmiddels al twee jaar niet voor [minderjarige] zorgt. In die periode is er maar vier keer een fysiek contactmoment tussen [minderjarige] en de moeder geweest, voor het laatst in december 2024. Sinds oktober 2025 is de moeder volledig uit contact. Zowel de pleegouders als de gecertificeerde instelling komen niet meer met de moeder in contact. De gecertificeerde instelling heeft op diverse manieren geprobeerd om het contact te hervatten, maar dat is tot op heden niet gelukt. Daardoor kan de gecertificeerde instelling de moeder niet op de hoogte houden van het leven van [minderjarige] en lukt het niet om toestemming van de moeder te krijgen voor gezagsbeslissingen. [minderjarige] heeft er aantoonbaar last van dat de moeder met het gezag belast is. Het lukt niet om (praktische) zaken voor [minderjarige] (tijdig) te regelen. De gecertificeerde instelling heeft daarom al diverse juridische procedures moeten voeren, onder andere voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor een medische behandeling van [minderjarige] en het aanvragen van een paspoort. Nu de moeder haar gezag niet (adequaat) uitoefent, krijgt [minderjarige] niet de zorg en hulpverlening die zij evident nodig heeft en stagneert haar ontwikkeling. De moeder lijkt onvoldoende in te zien welke negatieve gevolgen haar afwezigheid heeft voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De rechtbank kan zich voorstellen dat de afwezigheid van moeder geen onwil is maar onmacht. [minderjarige] mag daar echter niet de dupe van worden. Zij moet zich leeftijdsadequaat kunnen blijven ontwikkelen en zij moet ook duidelijkheid krijgen waar ze gaat opgroeien en wie de noodzakelijke beslissingen over haar gaat nemen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder, nu of in de toekomst, niet in staat is die rol op zich te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden.
Schorsing ouderlijk gezag vader
Vervolgens rijst de vraag wat de status is van het gezag over [minderjarige] na beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder. Daartoe geldt het volgende. Uit artikel 1:253q, derde lid, BW volgt dat, wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 1:246 BW genoemde gronden daartoe onbevoegd is, de rechtbank de andere ouder met het gezag belast, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Alsdan benoemt zij een voogd. Ingevolge artikel 1:253r, eerste lid, BW is het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing indien een of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag over de minderjarige uit te oefenen, of het bestaan of de verblijfplaats van een of beide ouders onbekend is. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat, behoudens zijn naam en geboortedatum, onbekend is wie de vader van [minderjarige] is en waar hij verblijft. Hierdoor kan de benodigde toestemming van de vader – voor zover de heer [de vader] met het ouderlijk gezag belast is – niet verkregen worden voor belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Daarbij komt dat hij nimmer betrokken is geweest bij (het leven van) [minderjarige] en hij om die reden ook niet in staat is om beslissingen over haar te nemen. Gelet op het voorgaande is de heer [de vader] – voor zover hij met het gezag belast is – op grond van artikel 1:253r, eerste lid, sub a alsmede sub b, BW van rechtswege in zijn gezag over [minderjarige] geschorst.
Blijkens het tweede lid van artikel 1:253r BW is het gezag van de ouder in dat geval geschorst totdat de rechter de ouder wederom met het gezag belast. Daartoe dient de ouder zelf een verzoek bij de rechtbank in te dienen.
Benoeming voogdij gecertificeerde instelling
Aangezien de rechtbank het gezag van de moeder heeft beëindigd en heeft vastgesteld dat de vader – voor zover hij met het gezag belast is – van rechtswege in zijn gezag is geschorst, is er sprake van een gezagsvacuüm. Op grond van artikel 1:253q, derde lid, BW dient er derhalve een voogd benoemd te worden. De gecertificeerde instelling heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] om de gecertificeerde instelling tot voogd over haar te benoemen. De gecertificeerde instelling kan als neutrale partij de belangen van [minderjarige] behartigen, ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet en in blijven zetten op contactherstel met de moeder.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.5
De rechtbank zal de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van:
- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1990 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
stelt vast dat [de vader], geboren op [geboortedatum 3] 1974 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] , – voor zover hij met het ouderlijk gezag belast is – van rechtswege is geschorst in het gezag over [minderjarige] ;
benoemt Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot voogd over genoemde minderjarige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het verzoek van de Raad tot het beëindigen van het ouderlijk gezag van de vader voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting in deze rechtbank bij de meervoudige kamer, gelegen vóór 31 maart 2027;
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
-
de Raad;
-
de vader (via de Staatscourant);
-
de advocaat van de vader: mr. T.Y. Tsang;
-
de pleegouders;
-
de gecertificeerde instelling;
bepaalt dat de Raad uiterlijk één week voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update als genoemd in overweging 5.2. aan de rechtbank en de belanghebbenden dient te zenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door
mr. M.H. Rochat, mr. H.J.M. Bellekom en mr. T.M.M.P. Westbroek, kinderrechters, in op schrift gesteld op 25 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.