Art. 1:247 Burgerlijk Wetboek Boek 1
Lid 1
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
Lid 2
Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
Lid 3
Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.
Lid 4
Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of na het beëindigen van de samenleving indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen op grond van artikel 251b, eerste lid, of een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.
Lid 5
Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of het beëindigen van de samenleving indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen op grond van artikel 251b, eerste lid, of een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.
Recente uitspraken
Art. 1:247 BW is sinds 2000 in 1241 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Zeeland-West-Brabant, Hof 's-Hertogenbosch en Hof Arnhem-Leeuwarden.
- ECLI:NL:HR:2026:1005 — 30-06-2026 Hoge Raad
OM-cassatie. Mishandeling van eigen kind door moeder door hem klap in nek te geven en te dreigen hem van balkon te gooien, art. 300.1 jo. 304.1.1 Sr. Vrijspraak van aantal andere als mishandeling tlgd. gedragingen zoals onder dwang geruime tijd op krukje zetten, het geruime tijd… - ECLI:NL:HR:2025:1948 — 19-12-2025 Hoge Raad
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Vragen over plaatsing van kind in pleeggezin als screening van pleeggezin niet of niet met positief resultaat heeft plaatsgevonden of pleegzorgaanbieder plaatsing niet langer verantwoord vindt, en over… - ECLI:NL:HR:2023:1459 — 13-10-2023 Hoge Raad
Familie- en jeugdrecht. Cassatie in het belang der wet. Kan rechter ambtshalve dwangsom verbinden aan omgangsregeling op grond van art. 1:377a BW? Ambtshalve dwangsom en art. 1:253a lid 5 BW. - ECLI:NL:HR:2023:222 — 14-02-2023 Hoge Raad
Mishandeling van 13-jarig kind van echtgenote dat bij verdachte en diens echtgenote woont, art. 304.1 jo. 300.1 Sr. Kan stiefkind worden aangemerkt als ‘kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’ a.b.i. art. 304.1 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit… - ECLI:NL:HR:2022:1410 — 11-10-2022 Hoge Raad
Opzettelijk in hulpeloze toestand laten van tien van haar kinderen, meermalen gepleegd (art. 255 Sr) door moeder in Bunschoten-Spakenburg. Verjaring i.g.v. voortdurend delict en aanvang verjaringstermijn. Is sprake van ‘doorlopende overtreding’ van art. 255 Sr? De op art. 255 Sr…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.