ECLI:NL:RBDHA:2026:29206

Datum uitspraak
02-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/698771 / FA RK 26-1000
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek verklaring voor recht uitspraak voogdij in Eritrea afgewezen, subsidiair verzoek uitspreken voogdij wordt toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1000

Zaaknummer: C/09/698771

Datum beschikking: 2 september 2026

Verklaring voor recht / voogdij

Beschikking op het op 31 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:

[grootouder 1] en [grootouder 2],

de grootouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader],

de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

[de moeder],

de moeder,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- het F9-formulier van 4 februari 2026 van de zijde van de grootouders met bijlage;

- het F9-formulier van 12 februari 2026 van de zijde van de grootouders, met als bijlage een gewijzigd verzoekschrift;

Op 5 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat en A. Soloman, een tolk;

  • [naam 1], de dochter van de grootmoeder;

  • [naam 2], maatschappelijk begeleider van Vluchtelingen werk;

  • de minderjarige [minderjarige].

De grootvader, de vader en de moeder zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

Verzoek

De grootouders verzoeken, na wijziging:

  • (primair) voor recht te verklaren dat de grootouders dan wel de grootmoeder voogd is van [minderjarige];

  • (subsidiair) de grootouders dan wel de grootmoeder tot voogd te benoemen van wel meer subsidiair tot tijdelijke voogd of nog meer subsidiair tot voorlopige voogd;

  • (nog meer subsidiair) ter vervanging van de verklaring van toestemming van de ouders een verklaring van toestemming af te geven aan de grootouders voor de aanvraag van een reisdocument/paspoort [minderjarige],

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) is geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1], [geboorteland 1].

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen.

Verklaring voor recht

Het primaire verzoek is erop gericht dat de voogdijbeslissing van 31 augustus 2017 van de Eritrese rechtbank in de provincie Debub te Adi-Keyih, Eritrea in Nederland wordt erkend, zodat daarvan aantekening kan worden gemaakt in het gezagsregister.

Eritrea is geen EU-lidstaat, zodat voor erkenning van de uitspraak ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid de vordering Brussel II-ter geen basis kan zijn. Eritrea is ook niet aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 of enig ander verdrag dat ziet op ouderlijke verantwoordelijkheid, zodat erkenning ook niet kan plaatsvinden op grond van een verdrag dat de erkenning van gezagsbeslissingen met Nederland regelt. De rechtbank zal daarom aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria voor erkenning van buitenlandse uitspraken op grond van artikel 431 Rv beoordelen of de uitspraak voor wat betreft de aspecten met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor bekrachtiging in Nederland in aanmerking komt.

Naar de huidige stand van het commune recht kunnen de regels inzake de erkenning van

vreemde vonnissen als volgt worden samengevat. Het vreemde vonnis wordt, ongeacht zijn aard en strekking, erkend, indien aan een viertal minimumvereisten is voldaan, te weten;

  1. dat de vreemde rechter op een internationaal aanvaardbare grond rechtsmacht heeft aangenomen;

  2. dat het vreemde vonnis tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging;

  3. dat het vreemde vonnis niet in strijd mag zijn met de openbare orde en

  4. dat de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

Met betrekking tot 1:

De beslissing is in Eritrea genomen terwijl de ouders, [minderjarige] en de grootouders op dat moment in Eritrea verbleven en in ieder geval verzoekers en [minderjarige] de Eritreese nationaliteit hadden. De rechtbank gaat ervan uit dat de rechtbank te Eritrea zich op grond daarvan bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het verzoek met betrekking tot het goedkeuren van de beslissing van de familieraad.

Met betrekking tot 2:

Door verzoekers is een uitspraak van 31 augustus 2017 van de rechtbank in de provincie Debub te Adi-Keyih, Eritrea overgelegd. In deze uitspraak wordt een besluit van de familieraad betreffende de voogdij over [minderjarige] goedgekeurd. Uit deze beschikking valt echter niet op te maken of sprake is geweest van een behoorlijke rechtspleging. Zo blijkt uit de uitspraak niet dat enig onderzoek heeft plaatsgevonden door de rechtbank of dat de ouders van [minderjarige] zijn gehoord door de rechtbank. Op de zitting is door de advocaat van verzoekers een vergelijking gemaakt met hoe in het Nederlandse rechtssysteem wordt omgegaan met het bekrachtigen van een echtscheidingsconvenant of een ouderschapsplan. De rechtbank is echter alsnog van oordeel dat hier een verschil in zit, namelijk dat een convenant en ouderschapsplan door een advocaat worden overgelegd, waarbij de advocaat de belangen van partijen behartigt. Van betrokkenheid van een advocaat is niet gebleken in de Eritrese procedure.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wordt voldaan aan de minimum vereisten voor erkenning van een buitenlandse beslissing, zodat het primaire verzoek zal worden afgewezen.

Voogdij

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:295 BW in samenhang met artikel 1:299 BW benoemt de rechtbank een voogd over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien. De rechtbank overweegt dat op dit verzoek van toepassing is het bepaalde in artikel 1:253r BW in samenhang gelezen met artikel 1:253q BW. Op grond van deze bepalingen wordt het gezag van een ouder of van de ouders van rechtswege geschorst op het moment dat de ouder of de ouders die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen of het bestaan of de verblijfplaats van de ouder of de ouders die het gezag uitoefenen, onbekend is.

Inhoudelijke beoordeling

Subsidiair wordt verzocht de voogdij, dan wel tijdelijke voogdij dan wel de voorlopige voogdij over [minderjarige] uit te spreken. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van een gezagsvacuüm, zoals uit het hierboven genoemde wettelijke kader blijkt. De rechtbank dient daarom eerst te beoordelen wie belast is met het gezag over [minderjarige] en of er sprake is van een gezagsvacuüm.

Voor de vaststelling wie naar Eritrees recht van rechtswege met het gezag over [minderjarige] is belast, heeft de rechtbank Vind Burgerzaken geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de (juridische) ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [minderjarige] buiten het huwelijk van zijn ouders is geboren. Zijn (biologische) vader is, ook naar Eritrees recht, derhalve niet van rechtswege ook juridisch vader van [minderjarige] geworden. Het vaderschap kan naar Eritrees recht ook ontstaan door erkenning of gerechtelijke vaststelling. Niet is gebleken dat hier sprake van is. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat naar Eritrees recht enkel de moeder van [minderjarige] met het ouderlijk gezag is belast.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of alsnog sprake is van een gezagsvacuüm. Door partijen is aangevoerd dat er weliswaar regelmatig telefonisch contact is met de moeder van [minderjarige], maar dat zij in Eritrea verblijft en niet in de gelegenheid is om schriftelijk toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:253r jo. 1:253q BW, in die zin dat de moeder van [minderjarige] in de onmogelijkheid verkeerd om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Zij is weliswaar telefonisch bereikbaar, maar mondelinge toestemming is vaak niet voldoende voor het nemen van gezagsbeslissingen. De moeder van [minderjarige] beschikt niet over een e-mailadres en er is ook geen woonadres bekend, enkel een woonplaats. Hierdoor is het voor de grootouders praktisch onmogelijk dat zij (tijdig) schriftelijke toestemming van de moeder verkrijgen die in Nederland ook daadwerkelijk gebruikt kan worden.

Nu vaststaat dat sprake is van een gezagsvacuüm, dient de rechtbank een voogd te benoemen over [minderjarige]. Op de zitting is door de grootmoeder toegelicht dat de grootouders primair de voorkeur hebben om gezamenlijk als voogd te worden benoemd. Mocht de rechtbank echter de beslissing uit Eritrea willen volgen, kunnen zij er ook mee instemmen dat enkel de grootmoeder als voogd wordt benoemd. De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de grootouders inmiddels ruim zeven jaar met [minderjarige] in Nederland verblijven en gezamenlijk voor hem zorgen. [minderjarige] en de grootouders zijn in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de IND in het kader van de gezinshereniging de familiebanden tussen [minderjarige] en de grootouders heeft vastgesteld, nu zij naar Nederland zijn gekomen en ook beslist is dat zij hier mogen blijven. De rechtbank heeft daarom ook geen aanleiding om te twijfelen dat verzoekers de grootouders van [minderjarige] zijn. Ter zitting is ook door [minderjarige] bevestigd dat hij graag wil dat de voogdij wordt uitgesproken. De rechtbank zal alles afwegende het verzoek van de grootouders om gezamenlijk met de voogdij te worden belast toewijzen.

Overige verzoeken

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige verzoeken van partijen, nu zij daar geen belang meer bij hebben. Deze verzoeken zullen daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

*

benoemt tot voogden over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1], [geboorteland 1]:

  • [grootouder 1], geboren op [geboortedatum 2] 1946 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 2], en

  • [grootouder 2], geboren op [geboortedatum 3] 1960 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 2];

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het Centraal Gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde situatie;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »