ECLI:NL:RBNHO:2026:8698

Datum uitspraak
30-06-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/15/377059 / FA RK 26-2101
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de rechtbank over voogdij. Er is sprake van een gezagsvacuüm. De GI moet als onafhankelijke partij belast worden met de voogdij.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/377059 / FA RK 26-2101

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de rechtbank over de voogdij

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [land] , thans gedetineerd in [land] ,

[de schoonmoeder] ,

hierna te noemen: de schoonmoeder,

wonende in [plaats] ,

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming &

Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Velserbroek.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van 30 maart 2026 met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.

1.2.

Het verzoek is gelijktijdig met het verzoek inzake C/15/376331 / FA RK 26-1676 behandeld op de zitting met gesloten deuren op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de schoonmoeder;

  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI, aanwezig via videoverbinding;

  • [de minderjarige] ;

  • [de vriend van de minderjarige] / [de vriend van de minderjarige] , de vriend van [de minderjarige] ;

  • [de schoonzus van de minderjarige] , de schoonzus van [de minderjarige] , aan wie bijzondere toestemming is verleend om de zitting bij te wonen..

De moeder was niet aanwezig. De rechtbank stelt vast dat zij juist is opgeroepen.

1.3.

De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] woont bij de schoonmoeder. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zij op [datum] op het adres van de schoonmoeder is ingeschreven.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt om de GI tot voogd te benoemen over [de minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De moeder is op dit moment niet in staat om het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Zij woont niet in hetzelfde land en is momenteel gedetineerd waardoor het contact heel lastig verloopt. Daarnaast verloopt het spaarzame contact dat de moeder momenteel heeft met [de minderjarige] , de schoonmoeder en de vriend gespannen. De Raad is daarom van mening dat de moeder (tijdelijk) in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen en dat haar gezag daarmee van rechtswege is geschorst. [de minderjarige] en de pleegmoeder hebben de wens dat de pleegmoeder belast wordt met de voogdij over [de minderjarige] . De moeder kan daar echter niet achterstaan en de Raad voorziet dat het voor [de minderjarige] dan moeilijker zal worden om haar band met de moeder te herstellen. De Raad vindt het belangrijk dat de GI als neutrale partij belast wordt met de voogdij. De GI kan ook zicht houden op de schoolgang van [de minderjarige] .

4 De standpunten

4.1.

Uit het raadsrapport blijkt dat de moeder achter het verzoek staat.

4.2.

De schoonmoeder heeft ingestemd met het verzoek. Hoewel zij zelf graag de voogdij over [de minderjarige] zou krijgen, begrijpt zij ook het verzoek. De schoonmoeder wil niet dat (nog meer) ruzie ontstaat tussen [de minderjarige] en haar eigen moeder. [de minderjarige] kan hoe dan ook bij de schoonmoeder blijven wonen.

4.3.

De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [de minderjarige] op zich te nemen.

5 De mening van [de minderjarige]

5.1.

heeft aangegeven dat zij het liefst wil dat de schoonmoeder haar voogdes wordt. De schoonmoeder zorgt al twee jaar goed voor [de minderjarige] en [de minderjarige] is gelukkig in het gezin van de schoonmoeder. Het voelt voor [de minderjarige] daarom niet goed als de GI de voogdij krijgt. [de minderjarige] heeft al langere tijd geen (goed) contact met de moeder. De moeder is boos op [de minderjarige] omdat zij zwanger was geworden en wil niet dat zij samen blijft met haar vriend.

6 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1.

Door de omstandigheid dat [de minderjarige] de Kroatische nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen.1 Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op de verzoeken van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht.2

Inhoudelijke behandeling

6.2.

Op grond van de artikelen 1:253q derde en vierde lid, jo. 1:253r, eerste lid sub a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de Raad een voogd benoemen, als de ouder die het gezag uitoefent, al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om dit gezag uit te oefenen en het belang van het kind zich verzet tegen het belasten van de andere ouder met gezag. Gelet op lid 2 van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouder(s) toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253q, derde lid, BW kan de rechtbank een voogd benoemen indien het gezag van de gezaghebbende ouder geschorst is.

6.3.

Vast is komen te staan dat de moeder op dit moment gedetineerd is in [land] . De Raad heeft toegelicht dat het niet mogelijk is om direct contact met de moeder op te nemen. Hiervoor dient eerst een terugbelverzoek ingediend te worden bij de gevangenis en ook daarna is er slechts beperkt tijd om met elkaar te spreken. Het is niet duidelijk wanneer de moeder vrijkomt. De rechtbank constateert dat de moeder vanwege haar slechte bereikbaarheid niet in staat is om belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen en is dan ook van oordeel dat de moeder – al dan niet tijdelijk – in de onmogelijkheid verkeert haar gezag uit te oefenen. Dit betekent dat haar gezag is geschorst. Het is niet mogelijk en ook niet in het belang van [de minderjarige] om haar vader belasten met het gezag. Hij is niet betrokken en [de minderjarige] heeft bij de rechtbank aangegeven dat zij al jarenlang geen contact met hem heeft gehad. Het is daarom noodzakelijk dat in de voogdij over [de minderjarige] wordt voorzien.

6.4.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de GI belast moet worden met de voogdij over [de minderjarige] . Hoewel de schoonmoeder erg betrokken is bij [de minderjarige] en [de minderjarige] de wens heeft dat de schoonmoeder belast wordt met de voogdij, acht de rechtbank dit niet in haar belang. [de minderjarige] en de moeder hebben ruzie met elkaar en vanuit de moeder is sprake van wantrouwen richting de schoonmoeder. Het contact tussen de moeder, [de minderjarige] en de schoonmoeder is op dit moment niet goed en de moeder heeft bij de Raad aangegeven dat zij niet wil dat de schoonmoeder met de voogdij over [de minderjarige] belast wordt. De rechtbank overweegt dat wanneer de schoonmoeder de voogdij krijgt, er naar verwachting meer spanningen zullen ontstaan waardoor het moeilijker zal zijn om te werken aan het herstellen van de band tussen [de minderjarige] en de moeder. Het is daarom nodig dat de GI als onafhankelijke partij belast wordt met de voogdij over [de minderjarige] om beslissingen te nemen en haar belangen te behartigen.

6.5.

Gelet op het bovenstaande en de bereidverklaring van de GI, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes, zoals door de Raad verzocht.

6.6.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3

6.7.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

belast de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de voogdij over [de minderjarige] ;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Voskens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »