Artikel 809 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Lid 1
In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, beslist de rechter niet dan na de minderjarige van twaalf jaren of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van de rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. De rechter kan minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hebben bereikt, in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Hetzelfde geldt in zaken betreffende het levensonderhoud van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.
Lid 2
In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling en mentorschap is de eerste volzin van het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de onder curatele te stellen of gestelde persoon, ten aanzien van degene wiens goederen het betreft alsmede ten aanzien van de persoon ten behoeve van wie mentorschap is verzocht of is ingesteld.
Lid 3
Indien de gelegenheid waarop de minderjarige zijn mening kenbaar kan maken niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, kan de rechter de beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet om een minderjarige uit huis te plaatsen, een beschikking met betrekking tot de voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 265i, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geven zonder toepassing van het eerste lid. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de minderjarige binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Lid 4
Indien de minderjarige van de in het eerste en derde lid bedoelde gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan de rechter een nadere dag bepalen, waarop hij voor hem gebracht zal worden. Verschijnt de minderjarige alsdan wederom niet, dan kan de zaak zonder hem worden behandeld.
Recente uitspraken
Art. 809 Rv is sinds 2003 in 113 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Midden-Nederland, Hof Arnhem-Leeuwarden en Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2025:902 — 13-06-2025 Hoge Raad
Procesrecht. Beschermingsbewind en mentorschap. Hybride zitting. Deelname door deel belanghebbenden, waaronder degene op wie verzochte maatregelen betrekking hebben, via videoverbinding. Bezwaar daartegen; motiveringsplicht. - ECLI:NL:HR:2023:1217 — 15-09-2023 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Jeugdrecht. Afwijzing verzoek om vaststelling omgangsregeling tussen moeder en kind. Schending recht van kind om haar mening kenbaar te maken (art. 809 Rv en art. 12 IVRK)? - ECLI:NL:HR:2020:321 — 21-02-2020 Hoge Raad
Familierecht. Procesrecht. Omgang tussen minderjarige en vader. Kan de minderjarige in een door een ouder of andere belanghebbende ingesteld hoger beroep betreffende de omgangsregeling, op de voet van art. 1:377g BW (informele rechtsingang) zijn wensen over de omgang aan het hof… - ECLI:NL:HR:2018:2321 — 14-12-2018 Hoge Raad
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Procesrecht. Ondertoezichtstelling. Schriftelijke aanwijzing gecertificeerde instelling (art. 1:263 BW en art. 1:265f BW) tot beperking contact tussen met gezag belaste ouder en minderjarige. Toepasselijkheid HR 25… - ECLI:NL:HR:2014:3535 — 05-12-2014 Hoge Raad
Personen- en familierecht. Ondertoezichtstelling. Heeft minderjarige recht op inzage en afschrift van processtukken in procedure met betrekking tot zijn ondertoezichtstelling? Positie minderjarige als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv. Art. 811 lid 1 aanhef en onder d Rv.…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.