Artikel 63c Faillissementswet
Lid 1
Tijdens de afkoelingsperiode kan de ontvanger die een beslag heeft gelegd als bedoeld in artikel 22, derde lid, Invorderingswet 1990, niet tot uitwinning overgaan, tenzij de rechter-commissaris anders beslist.
Lid 2
Een beslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander, indien deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 63c Fw is sinds 2006 in 3 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hof Arnhem en Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2013:1910 — 13-12-2013 Hoge Raad
Prejudiciële beslissing, art. 392 Rv. Uitleg art. 241c lid 2 Fw. Geldt deze bepaling mede ten behoeve van houder van stil pandrecht op aan schuldenaar toebehorende zaak? Verschil met HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7451, NJ 2009/92 (Singulus/Nemox). Strekking van art. 241c… - ECLI:NL:GHARN:2012:BX8847 — 18-09-2012 Hof Arnhem
Geen bodem Ontvanger op bedrijfsinventaris café - ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4329 — 28-09-2006 Hof Amsterdam
Ontvanger heeft zich kunnen verhalen op machines door de werking van de afkoelingsperiode, maar in strijd met de strekking daarvan. Belang van de boedel en continuïteit van de onderneming. Bodembeslag niet aan schuldeiser tegenwerpen; geen bankgarantie verlangen.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.