Artikel 52 Wet wapens en munitie

Lid 1

De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

Lid 2

De opsporingsambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

  1. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

  2. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

  3. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

Lid 3

In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.

Lid 4

Het bevel, bedoeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

Lid 5

De opsporingsambtenaren alsmede andere daartoe door Onze Minister aangewezen personen zijn bevoegd een persoon die zich bevindt op een bij regeling van Onze Minister aangewezen luchthaven, te allen tijde aan zijn kleding en de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, alsmede diens vervoermiddel, te onderzoeken.

Lid 6

Onze Minister wijst een luchthaven met toepassing van het vijfde lid slechts aan indien dat naar zijn oordeel met het oog op de veiligheid nodig is.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 52 WWM is sinds 2002 in 22 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Hof Amsterdam en Rb. Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2026:1376 — 01-09-2026 Hoge Raad
    Aanwezig hebben van 1,5 gram cocaïne op Schiphol door verdachte die buiten vertrekhal 1 in auto zit te wachten, art. 2.C Opiumwet. Verweer dat verdachte onrechtmatig is gefouilleerd, zodat vondst van cocaïne bij die fouillering niet voor bewijs kan worden gebruikt. Was…
  • ECLI:NL:HR:2020:1554 — 06-10-2020 Hoge Raad
    Opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel van motoragent door bestuurder van auto, art. 184.1 Sr. Bevoegdheid tot “preventief fouilleren” in veiligheidsrisicogebied o.b.v. WWM. Krachtens wettelijk voorschrift a.b.i. art. 184 Sr? Art. 184.1 Sr eist ‘krachtens wettelijk…
  • ECLI:NL:HR:2017:3192 — 19-12-2017 Hoge Raad
    Voorhanden hebben vuurwapen. Bewustheid bij verdachte omtrent het aanwezig hebben van een stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp? Art. 2.1 categorie II sub 5 WWM jo. art. 26 WWM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1169 m.b.t. voorhanden hebben van een…
  • ECLI:NL:HR:2007:AZ2475 — 20-02-2007 Hoge Raad
    Bij besluit van 20-11-02 heeft de burgemeester van A’dam een deel van die stad aangewezen als veiligheidsrisicogebied, voor de duur van 6 maanden, welke aanwijzing bij besluit van 26-6-03 met 12 maanden is verlengd, met wijziging van de gebiedsgrenzen. In een…
  • ECLI:NL:HR:2006:AU8064 — 14-02-2006 Hoge Raad
    Rechtmatigheid onderzoek aan de kleding. Door te overwegen dat t.a.v. verdachte sprake was van “ernstige bezwaren”, heeft het hof nog de maatstaf toegepast van art. 52 (oud) WWM. Hoewel het hof heeft kunnen oordelen dat van ernstige bezwaren sprake was, had het zich de vraag…

Bekijk alle 22 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.