Hoofdstuk IX. Verdere bepalingen
Artikel 86
Met het toezicht op de naleving van de krachtens deze wet geregelde opleidingen, de krachtens artikel 40 gestelde voorschriften, de voorschriften waarvan overtreding in hoofdstuk X strafbaar is gesteld en het toezicht op de naleving van een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 85a, eerste lid, zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
Artikel 87
Lid 1
De met het toezicht belaste ambtenaren beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Lid 2
De aan de met het toezicht belaste ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, hebben mede betrekking op patiëntendossiers.
Lid 3
Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en van artikel 88 van deze wet, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar.
Artikel 87a
Vervallen
Artikel 88
De beoefenaren van een op grond van artikel 3, 34 of 36a gereguleerd beroep zijn verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.
Artikel 89
Vervallen
Artikel 90
Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de hoofdstukken II, III, VI en XI en in artikel 93 kan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot onderwerpen die in de maatregel worden geregeld, nadere regels kan dan wel moet stellen.
Artikel 91
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur waarbij ten aanzien van een bij de maatregel aangewezen beroep voor de eerste maal toepassing wordt gegeven aan artikel 8, 34 of 40, dan wel een algemene maatregel van bestuur, inhoudende intrekking van een algemene maatregel van bestuur waarbij ten aanzien van een bepaald beroep toepassing is gegeven aan artikel 8, 34 of 40, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 92
Lid 1
Beoefenaren van een beroep dat vergelijkbaar is met dat van arts, tandarts, verloskundige, verpleegkundige, physician assistant of klinisch technoloog en die zijn verbonden aan een buitenlandse krijgsmacht, worden voor de toepassing van artikel 35 gelijkgesteld met de op grond van hoofdstuk IV aangewezen personen, indien zij:
in Nederland, in een Nederlands luchtvaartuig of op een Nederlands schip verblijven;
zij in het land van de krijgsmacht waaraan zij verbonden zijn, als beoefenaar van het betreffende beroep, bevoegd zijn tot het verrichten van de handelingen als bedoeld in artikel 36, en
zij hun beroep uitoefenen ten behoeve van:
personeel behorende tot de krijgsmacht waaraan de beroepsbeoefenaar is verbonden;
personeel behorende tot een andere buitenlandse krijgsmacht;
degenen met wie het personeel, bedoeld onder a en b, duurzaam samenleeft, of
militaire ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie.
Lid 2
De verboden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 17, tweede lid, en artikel 34, vierde lid, zijn niet van toepassing ten aanzien van beroepsbeoefenaren:
die in het land van herkomst een beroep uitoefenen vergelijkbaar met een beroep als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel een beroep dat zijn grondslag vindt in artikel 14, eerste lid of artikel 34, eerste lid, en die een titel voeren die overeenkomt met dat uitgeoefende beroep, en
die handelen in de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder a en c.
Lid 3
De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de toepassing van in andere wetten opgenomen bepalingen, betrekking hebbende op degenen die in het desbetreffende register ingeschreven staan, gelijkgesteld met laatstbedoelde personen, voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het verrichten van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden.
Artikel 93
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik van een bij de maatregel aangegeven onderscheidingsteken door degenen die in een bij de maatregel aangewezen register ingeschreven staan of aan wie krachtens artikel 34, derde lid, het recht is voorbehouden een krachtens dat artikellid aangegeven titel te voeren.
Artikel 94
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 95
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.