Hoofdstuk IV. Voorbehouden handelingen
Artikel 35
Lid 1
Het is anderen dan de op grond van dit hoofdstuk aangewezen personen in de bij of krachtens dit hoofdstuk aangewezen gevallen, verboden om buiten noodzaak beroepsmatig de handelingen, genoemd in artikel 36, te verrichten ten aanzien van personen, tenzij:
zulks geschiedt ingevolge een opdracht van een persoon die zijn bevoegdheid ontleent aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36, 36a, eerste lid, of 37, eerste lid;
hij redelijkerwijs mag aannemen dat hij beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk uitvoeren van de opdracht; en
hij, voor zover de opdrachtgever aanwijzingen heeft gegeven, handelt overeenkomstig die aanwijzingen.
Lid 2
Met inachtneming van het eerste lid is de opdrachtnemer bevoegd tot het verrichten van de in het eerste lid bedoelde handeling.
Artikel 35a
Lid 1
De op grond van artikel 36 bevoegde personen zijn tot het verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 36, uitsluitend bevoegd voor zover zij redelijkerwijs mogen aannemen dat zij beschikken over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van die handelingen.
Lid 2
Indien de bevoegde personen niet voldoen aan het vereiste van bekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, worden zij voor de toepassing van de artikelen 35, eerste lid, onder a, 38 en 39, aangemerkt als personen die hun bevoegdheid ontlenen aan het bij artikel 36 bepaalde.
Artikel 36
Lid 1
Tot het verrichten van heelkundige handelingen - waaronder worden verstaan handelingen, liggende op het gebied van de geneeskunst, waarbij de samenhang der lichaamsweefsels wordt verstoord en deze zich niet direct herstelt - zijn bevoegd:
de artsen,
de tandartsen,
de verloskundigen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
de klinisch technologen,
doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 2
Tot het verrichten van verloskundige handelingen zijn bevoegd:
de artsen,
de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 3
Tot het verrichten van endoscopieën zijn bevoegd:
de artsen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 4
Tot het verrichten van catheterisaties zijn bevoegd:
de artsen,
de verloskundigen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
de klinisch technologen,
doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 5
Tot het geven van injekties zijn bevoegd:
de artsen,
de tandartsen,
de verloskundigen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
de klinisch technologen,
doch de onder b, c, d en f genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 6
Tot het verrichten van punkties zijn bevoegd:
de artsen,
de verloskundigen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
de klinisch technologen,
doch de onder b, c en e genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 7
Tot het brengen onder narcose zijn bevoegd:
de artsen,
de tandartsen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 8
Tot het verrichten van handelingen, op het gebied van de individuele gezondheidszorg, met gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden, zijn bevoegd:
de artsen,
de tandartsen,
de klinisch technologen,
doch uitsluitend voor zover zij voldoen aan de krachtens de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) ter zake van het gebruiken van zodanige stoffen en toestellen gestelde eisen, alsmede, voor zover het betreft tandartsen en klinisch technologen, uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 9
Tot het verrichten van electieve cardioversie zijn bevoegd:
de artsen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 10
Tot het toepassen van defibrillatie zijn bevoegd:
de artsen,
de physician assistants,
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
doch de onder b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 11
Tot het toepassen van electroconvulsieve therapie zijn bevoegd:
de artsen.
Lid 12
Tot steenvergruizing voor geneeskundige doeleinden zijn bevoegd:
de artsen.
Lid 13
Tot het verrichten van handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand brengen van een zwangerschap, zijn bevoegd:
de artsen.
Lid 14
Tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, van de Geneesmiddelenwet zijn bevoegd:
de artsen;
de tandartsen;
de verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid;
verpleegkundigen, die behoren tot een ter bevordering van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie, doch dezen uitsluitend:
voor zover een onder a, b of c bedoelde beroepsbeoefenaar de diagnose heeft gesteld met betrekking tot de patiënt voor wie het geneesmiddel is bestemd,
voor zover medische protocollen en standaarden ter zake van het voorschrijven van UR-geneesmiddelen worden gevolgd,
binnen de bij de regeling te stellen beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van de in de aanhef bedoelde bevoegdheid, en
voor zover van die bevoegdheid een aantekening in het register is gemaakt;
bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van verpleegkundigen, behorend tot een wettelijk erkend specialisme, een en ander met inachtneming van de beperkingen, bij de regeling te stellen,
de physician assistants, doch deze uitsluitend voor zover het betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
Lid 15
Het ontwerp van de ministeriële regeling, bedoeld in het veertiende lid, onder d, treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 36a
Lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kan in afwijking van artikel 36 van deze wet en van artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet bij wijze van experiment worden bepaald, dat voor een termijn van maximaal vijf jaar een bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren, die werkzaam is op het gebied van de individuele gezondheidszorg en die met goed gevolg een bij de maatregel aangewezen opleiding met betrekking tot de aan te wijzen voorbehouden handeling heeft afgerond, wordt aangewezen als zijnde bevoegd tot het verrichten van in die maatregel aangewezen handelingen.
Lid 2
Op de in de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren is artikel 35a van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Bij de maatregel kan aan de in het eerste lid omschreven categorie van beroepsbeoefenaren gedurende de in dat lid bedoelde periode het recht verleend worden een in de maatregel aan te geven titel te voeren. Gedurende deze periode is het aan anderen verboden deze titel of een daarop gelijkende benaming te voeren.
Lid 4
Voor zover het derde lid, tweede volzin, en de artikelen 4, tweede lid, 17, tweede lid, en 34, vierde lid, een verbod inhouden op het voeren van een titel, is dat verbod niet van toepassing in het geval dat een beroepsbeoefenaar aan wie op grond van artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gedeeltelijke toegang is verleend tot een beroep, behorende tot een categorie van beroepsbeoefenaren als bedoeld in het eerste lid, zijn beroepswerkzaamheden uitoefent onder de beroepstitel van zijn staat van herkomst of oorsprong.
Lid 5
Met een recept als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel pp, van de Geneesmiddelenwet wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld een document dat is opgesteld door een met naam en werkadres aangeduide beroepsbeoefenaar, die behoort tot de bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren die op grond van de maatregel bevoegd is tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet, en waarin aan een persoon als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onderdeel a of b, van de Geneesmiddelenwet, een voorschrift wordt gegeven om een met zijn stofnaam of merknaam aangeduid geneesmiddel in de aangegeven hoeveelheid, sterkte en wijze van gebruik ter hand te stellen aan een te identificeren patiënt en dat is ondertekend door de desbetreffende beroepsbeoefenaar dan wel, zonder te zijn ondertekend met een zodanige code is beveiligd dat een daartoe bevoegde persoon of instantie de authenticiteit ervan kan vaststellen.
Lid 6
Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op de bij de maatregel omschreven categorie van beroepsbeoefenaren.
Lid 7
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lid 8
Indien voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn een voorstel van wet tot wijziging van artikel 36 in de zin van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd, met een maximum van vijf jaren en vervalt op
het moment van inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingswet, danwel
het moment dat de bedoelde wijzigingswet wordt ingetrokken of verworpen door een der Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 36b
Lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat door Onze Minister een tijdelijk register wordt ingesteld en beheerd waarin beroepsbeoefenaren van een in de maatregel, bedoeld in artikel 36a, eerste lid, omschreven categorie voor de duur van het in die maatregel bedoelde experiment, op hun aanvraag worden ingeschreven.
Lid 2
Met betrekking tot de registers, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikel 3, eerste en vijfde lid, 4 eerste, tweede en derde lid, 6, onderdeel a, en 8 niet van toepassing.
Lid 3
Indien voor het betreffende beroep op grond van het eerste lid een tijdelijk register is ingesteld, gaat dat tijdelijk register op het tijdstip dat de wet, bedoeld in artikel 36a, achtste lid, onder a, in werking treedt, over in het in die wet voor dat beroep op grond van artikel 3 ingestelde register. Het tweede lid is vanaf dat tijdstip niet langer van toepassing ten aanzien van dat register.
Lid 4
In afwijking van artikel 8, eerste lid, geldt voor de beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in een tijdelijk register, dat op grond van het derde lid is overgegaan in een register als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dat de inschrijving een half jaar na de inwerkingtreding van de wet, bedoeld in artikel 36a, achtste lid, onder a, wordt doorgehaald.
Lid 5
In afwijking van het vierde lid, geldt voor degene die op de datum, bedoeld in het vierde lid, korter dan vijf jaar ingeschreven is, als datum, bedoeld in artikel 8, eerste lid, de datum van vijf jaar na die van de eerste inschrijving in het register, bedoeld in het eerste lid.
Lid 6
Na het eindigen van het experiment, blijft de beroepsbeoefenaar die was ingeschreven in het tijdelijk register ter zake van enig in artikel 47, eerste lid, bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij ingeschreven stond, aan de tuchtrechtspraak onderworpen.
Lid 7
Indien toepassing gegeven wordt aan het zesde lid, geeft het tuchtcollege een oordeel over de gegrondheid van de klacht, met dien verstande dat geen maatregelen bedoeld in artikel 48, eerste lid, opgelegd kunnen worden.
Lid 8
Indien de termijn, bedoeld in artikel 36a, eerste lid, vervalt, anders dan door toepassing van artikel 36a, achtste lid, onder a, bestaat gedurende een half jaar na het verstrijken van die termijn de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift, bedoeld in artikel 65, eerste lid. Van de datum waarop deze bevoegdheid aanvangt, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Lid 9
Na het eindigen van het experiment, kunnen leden-beroepsgenoten en plaatsvervangende leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid en 56, eerste lid, bij besluit van Onze Minister benoemd worden, voor zover dit noodzakelijk is voor de behandeling van zaken over klachten die tot een half jaar na het eindigen van het experiment zijn ingediend. Deze leden en plaatsvervangende leden worden benoemd uit personen die ten tijde van het experiment waren ingeschreven in het tijdelijk register.
Lid 10
Indien de termijn, bedoeld in artikel 36a, eerste lid, vervalt, anders dan door toepassing van artikel 36a, achtste lid, onder a, blijven de aantekeningen die op grond van artikel 9 in het tijdelijk register zijn geplaatst gedurende vijf jaar raadpleegbaar.
Artikel 37
Lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels overeenkomstig artikel 36 worden gesteld met betrekking tot bij de maatregel omschreven handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, niet vallende onder dat artikel.
Lid 2
Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat de artikelen 35 en 36 met betrekking tot bij de maatregel omschreven handelingen niet langer gelden.
Lid 3
Indien niet binnen zes maanden na de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een wetsvoorstel is ingediend tot wijziging van artikel 36 overeenkomstig die maatregel, alsook indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen, wordt de maatregel onverwijld ingetrokken.
Artikel 37a
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen voor zover ten aanzien van die handelingen bij of krachtens andere wetten regels zijn gesteld.
Artikel 38
Het is degene die zijn bevoegdheid tot het verrichten van een bij of krachtens de artikelen 36 tot en met 37 omschreven handeling ontleent aan het bij of krachtens die artikelen bepaalde verboden aan een ander opdracht te geven tot het verrichten van die handeling, tenzij:
in gevallen waarin zulks redelijkerwijs nodig is aanwijzingen worden gegeven omtrent het verrichten van de handeling en toezicht door de opdrachtgever op het verrichten van de handeling en de mogelijkheid tot tussenkomst van een zodanig persoon voldoende zijn verzekerd en
hij redelijkerwijs mag aannemen dat degene aan wie de opdracht wordt gegeven, in aanmerking genomen het onder a bepaalde, beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de handeling.
Artikel 39
Lid 1
Indien een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg zulks vordert, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald dat tot het gebied van deskundigheid van personen, behorende tot een der in het tweede lid genoemde categorieën, wordt gerekend het verrichten van bij de maatregel aangewezen categorieën van handelingen, behorende tot de bij of krachtens de artikelen 36 en 37 omschreven categorieën van handelingen, zonder toezicht door de opdrachtgever en zonder diens tussenkomst.
Lid 2
Ingevolge het eerste lid kunnen de volgende categorieën van personen worden aangewezen:
categorieën van personen die in een bij het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen register staan ingeschreven;
categorieën van personen die een krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of aangewezen opleiding hebben voltooid;
categorieën van personen, behorende tot de onder a of b bedoelde categorieën van personen.