ECLI:NL:RBDHA:2026:31538

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.57379
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Daadwerkelijke en effectieve beëindiging van het eerdere verblijf in Nederland, gronden maatregel, lichter middel, voortvarend handelen, openbare orde, ambtshalve toetsing. Ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57379

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser zijn eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd?

3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser zijn eerdere verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De enkele stelling van de minister dat eiser geen werk heeft gezocht in Polen en daar geen nieuw bestaan heeft opgebouwd, is daartoe onvoldoende.

3.1.

Uit het arrest F.S.2 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Tot slot is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat die het verwijderingsbesluit heeft genomen.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het besluit van 19 september 2025, waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht (het verwijderingsbesluit). De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser op 10 februari 2026 gedwongen is uitgezet, maar kort daarna, namelijk vanaf 23 april 2026, weer meerdere keren in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook zelf verklaard dat hij sinds maart 2026 alweer in Nederland is. Vanwege dit zeer korte verblijf buiten Nederland heeft hij niet aangetoond dat hij zijn verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd en elders een bestendig leven heeft opgebouwd. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld en voldoende gemotiveerd dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit dus nog steeds geldt. De beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?

4. In de maatregel die aan eiser is opgelegd, staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2.

Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gronden b en r terecht tegengeworpen. Grond b is feitelijk juist, omdat eisers verblijfsrecht met het besluit van 19 september 2025 is beëindigd en hij opnieuw in Nederland is aangetroffen. De stelling van eiser – dat de minister had moeten beoordelen of het verwijderingsbesluit van 19 september 2025 na zijn terugkeer nog rechtsgevolg had – leidt niet tot een ander oordeel. Zoals onder 3.2 overwogen, is het verwijderingsbesluit nog steeds geldig. Ook het betoog van eiser, dat bij de motivering van deze grond is opgenomen dat het verwijderingsbesluit dateert van 19 september 2026 (in plaats van 19 september 2025) en daarmee onjuist is, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Niet is gebleken dat eiser door deze verschrijving op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

Ook is grond r feitelijk juist, omdat eiser niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat eiser, zoals hij stelt, verblijft op het woonadres van zijn vriendin en daarmee een vaste verblijfplaats heeft, maakt dit niet anders. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat slechts sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP.3 Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico voortvloeit.

4.3.

Gronden b en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen.4 Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.

Had moeten worden volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert vervolgens aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De motivering is te algemeen geformuleerd en niet toegespitst op eisers situatie.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Het is vaste rechtspraak dat de minister bij de motivering van het lichter middel in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.5 Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Zoals onder 4.3 overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende werkt aan zijn uitzetting, door pas op 30 september 2026 een vlucht voor hem aan te vragen. Eiser is immers al sinds 18 september 2026 in de macht van de autoriteiten.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is.6 Uit het dossier blijkt dat op 29 september 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Dit was op de vijfde dag van de inbewaringstelling. Op 30 september 2026 (de zesde dag van de inbewaringstelling) is een vlucht voor eiser aangevraagd. Dit zijn daadwerkelijke handelingen gericht op uitzetting. Hiermee werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.

Openbare orde

7. Eiser voert aan dat de minister in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. De enkele verwijzing naar verschillende politiecontacten en aanhoudingen is daartoe onvoldoende.

7.1.

De rechtbank stelt vast dat in de maatregel bij de motivering van het zicht op uitzetting onder meer het volgende is opgenomen:

“Nu het verblijfsrecht is ingetrokken, voldoet de verwijdering aan de Unieburgerrichtlijn. Uit het persoonlijk gedrag van betrokkene blijkt een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde. Bij dit besluit is een volledige individuele belangenafweging gemaakt. Gezien de verblijfsduur, integratie en gezinssituatie is de maatregel evenredig en niet in strijd met artikel 8 EVRM. Vanwege interstatelijke beginsel mogen wij vertrouwen dat alle andere lidstaten, waaronder Polen het Unierecht en de fundamentele mensenrechten respecteren.”

Bij de motivering op het zicht op uitzetting is echter ook opgenomen dat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit van een staat heeft die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer, of waarvoor een gedwongen terugkeer, vertrekmoratorium of andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt. Uit informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek is gebleken dat door Polen medewerking wordt verleend aan gedwongen terugkeer en dat eiser beschikt over een geldig reisdocument.

De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van zicht op uitzetting. Eisers betoog – dat onvoldoende is gemotiveerd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde – doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister op de zitting toegelicht dat dit geen dragend onderdeel van de motivering is op dit punt. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.7

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »