RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57478
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H. Nobel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 25 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.3 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.4 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.6
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd omdat de openbare orde dat vordert vanwege het bestaan van een onderduikrisico.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op de zitting heeft de minister de grond q laten vallen.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring voldoende dragen?
5. Eiser betwist de gronden a, b, o, en p. Eiser voert daarnaast aan dat de maatregel slordig is ingevuld. Volgens eiser is niet duidelijk welke gronden precies aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd omdat de aangekruiste gronden bovenaan de maatregel niet overeenkomen met de gronden die in de motivering van de maatregel staan. Gronden a en j zijn niet aangekruist maar wel opgenomen in de motivering van de maatregel.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel gronden a en j inderdaad niet zijn aangekruist bij de opsomming van de gronden zoals die volgen uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000. Direct onder deze opsomming, bij de motivering van de gronden, zijn gronden a en j echter wel genoemd en gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat daarmee voldoende duidelijk is dat ook deze gronden ten grondslag liggen aan de maatregel. Daar komt bij dat de gemachtigde van de minister er terecht op wijst dat gronden a en j wel zijn aangekruist op de informatiefolder die aan eiser is uitgereikt.
Eiser heeft de gronden h en j niet betwist. Deze gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en zijn samen voldoende om de maatregel te dragen. Ten eerste is grond h terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, omdat eiser zelf heeft verklaard dat hij niet wil en kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Dit is verklaard in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 8 september 2026. Daarom heeft de minister de kans groot kunnen achten dat eiser niet dan wel niet voldoende mee zal werken aan zijn vertrek. Daarnaast beschikt eiser niet over een paspoort, een vaste woon- of verblijfplaats en beschikt hij onvoldoende over middelen van bestaan om zijn vertrek te realiseren. Ten tweede mag de minister ook de grond j aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft namelijk een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en die aanvraag is in het besluit van 24 september 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Nu de gronden h en j voldoende zijn om de maatregel te dragen, beoordeelt de rechtbank de betwisting van de gronden a, b, o, en p niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser heeft de minister niet gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast.
De beroepsgrond slaagt niet. De gemachtigde van de minister heeft er op de zitting op gewezen dat het al dan niet toepassen van een lichter middel is gemotiveerd op pagina’s 5 en 6, na de non-refoulement beoordeling. Daar is overwogen dat eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht en de uitkomst van zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht. Daarnaast zijn er geen familiare banden te onderhouden in Nederland dan wel Europa. Ook is de gezondheidstoestand van eiser besproken. De rechtbank volgt de eiser dat een en ander wat versnipperd in de maatregel is opgenomen, maar alles samengenomen maakt dat de minister tot de conclusie heeft kunnen komen dat een lichter middel voor eiser niet op zijn plaats is.
Is de non-refoulement beoordeling voldoende?
7. Eiser voert aan dat er geen actuele non-refoulementbeoordeling is gemaakt.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de non-refoulementbeoordeling recent is gemaakt bij de afwijzing van het asielverzoek van eiser. Uit dat besluit volgt dat eiser niet te vrezen heeft bij terugkeer naar zijn land van herkomst. De in de maatregel opgenomen non-refoulementbeoordeling geeft geen ander beeld.
Gezondheid bij uitzetting
8. Eiser voert aan dat zijn gezondheidstoestand onvoldoende kenbaar is betrokken bij het beoordelen van het zicht op uitzetting. Eiser betoogt dat moet worden beoordeeld of hij gelet op zijn gezondheidstoestand kan reizen. Volgens eiser moet bekeken worden hoe dit is voor het reizen en in het land van herkomst.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de M110 Proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij gezond is. Er is ook contact geweest met een arts. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser niet kan reizen. Mocht het voor de reis relevant zijn dat eiser nog gecheckt wordt, dan kan daar een fit to fly-beoordeling worden gedaan. De minister hoefde niet te beoordelen hoe de gezondheidszorg is in het land van herkomst van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.7
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.