ECLI:NL:RBDHA:2026:25354

Datum uitspraak
28-08-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.47249
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring; ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47249

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan op 18 augustus 2026 in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser heeft met een afstandsverklaring afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. De gemachtigde van eiser is na een bericht van zijn afwezigheid niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.5

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. De minister heeft eiser in vreemdelingenbewaring gesteld, omdat het belang van de openbare orde dit volgens hem vordert. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

3.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2.

Eiser betoogt dat de maatregel onrechtmatig is. Hij heeft verklaard niet te willen vertrekken, omdat hij vreest bij terugkeer naar Algerije vanwege zijn seksuele geaardheid te worden vervolgd. Gelet op zijn relaas is het volgens eiser begrijpelijk dat hij niet wil terugkeren.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd door eiser niet zijn betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dat blijkt uit artikel 5.6 van de Vb 2000.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

4. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel, zoals een meldplicht, had kunnen opleggen. Daarbij is relevant dat eiser heeft aangegeven mee te willen werken aan zijn terugkeer voor zover gericht op Algerije. De minister heeft een lichter middel niet, althans niet serieus, overwogen.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de (niet betwiste) gronden van de maatregel blijkt namelijk dat sprake is van een onderduikrisico. Daarom is in beginsel een lichter middel niet aangewezen. De minister heeft dat ook voldoende gemotiveerd in de maatregel. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om mee te werken aan zijn vertrek naar Algerije, heeft de minister, gelet op het onderduikrisico, ook onvoldoende mogen vinden voor het opleggen van een lichter middel. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat uit het dossier niet blijkt dat eiser een meewerkende houding vertoont.

Heeft er een refoulementbeoordeling plaatsgevonden?

5. Eiser voert in beroep aan dat de maatregel niet rechtmatig is, omdat eiser heeft aangegeven niet te willen vertrekken, vanwege de vrees voor vervolging bij terugkeer vanwege zijn seksuele geaardheid. De rechtbank stelt zich hierover op het standpunt dat de beoordeling van een mogelijk risico op refoulement heeft plaatsgevonden in de afdoening van de asielprocedure. Eiser heeft tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag van 27 juli 2026 geen rechtsmiddelen aangewend. De inhoud van deze beslissing is dus in rechte vast komen te staan. Eiser heeft ook geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren gebracht die aanleiding geven om tot een ander oordeel over het risico op refoulement te komen. De minister heeft met een verwijzing naar het recente besluit op de asielaanvraag van eiser afdoende gemotiveerd dat een risico op non-refoulement zich niet voordoet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.6

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid vanS. Voolstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »