ECLI:NL:RBDHA:2026:30882

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.54659
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bewaring, vervolgberoep, opgeheven, medische omstandigheden, niet onevenredig bezwarend, ongegrond

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54659

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

1. De minister heeft op 22 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.

De rechtbank heeft de maatregel van vreemdelingenbewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 6 juli 2026.1 Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 31 juli 2026.2 Op het tweede vervolgberoep is uitspraak gedaan op 27 augustus 2026.3 Op 9 september 2026 is uitspraak gedaan op het derde vervolgberoep van eiser.4

1.2.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel opnieuw beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

1.3.

De minister heeft op 24 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar zijn land van herkomst, Tunesië.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Uit de uitspraak van 9 september 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 7 september 2026, tot aan de opheffing van de maatregel, op 24 september 2026, rechtmatig was.

Is het voortduren van de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend?

4. Eiser betoogt dat het voortduren van de maatregel voor hem onevenredig bezwarend is. Daarbij wijst eiser op een combinatie van omstandigheden. Ten eerste is de eerdere uitzetting van 12 september 2026 niet doorgegaan, waarbij ook onduidelijk is of eiser voor die uitzetting wel fit-to-fly is verklaard. Daarnaast ontbreekt ook een actuele fit-to-fly-beoordeling. Verder is de medicatie van eiser op 14 september 2026 gestopt, met als reden ‘uitzetting.’ De geplande uitzetting op 12 september 2026 is echter niet doorgegaan en nergens blijkt dat door een arts is beoordeeld of het stopzetten van de medicatie verantwoord was en of de medicatie hervat is. Daarnaast heeft eiser op 18 september 2026 een afspraak gehad bij een cardioloog en deze onderzoeksresultaten zijn relevant voor de actuele beoordeling van zijn cardiale toestand en reisgeschiktheid.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt namelijk dat eiser op 11 september 2026 fit-to-fly is bevonden. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd dat en waarom hieraan getwijfeld dient te worden. Ook is eiser voor de uitzetting van 24 september 2026 fit-to-fly verklaard op 22 september 2026, zoals blijkt uit het dossier. Met betrekking tot het al dan niet stopzetten van de medicatie wijst de rechtbank op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 september 2026, waaruit blijkt dat de medicatie niet is stopgezet na 14 september 2026.5 De minister heeft met betrekking tot het betoog van eiser dat de resultaten van het onderzoek bij de cardioloog afgewacht moeten worden, omdat daardoor niet verwezen kan worden naar een eerder BMA-advies, terecht verwezen naar de eerder genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter. Hierin heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de cardiologische onderzoeken van 18 september 2026 geen reden zijn om te twijfelen aan de actualiteit van het BMA-advies en de daarin opgenomen conclusie dat bij terugkeer en uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie wordt verwacht binnen drie tot zes maanden. Ten aanzien van de reisgeschiktheid van eiser heeft het BMA geconcludeerd dat er geen reisvoorzieningen nodig zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. De minister heeft er verder op zitting echter op gewezen dat, zoals ook uit de voortgangsrapportage blijkt, er voor de reis verschillende maatregelen zijn getroffen waaronder het beschikbaar stellen van reismedicatie. Dat sprake is van een wezenlijke wijziging in de cardiale toestand van eiser dan wel zijn reisgeschiktheid volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet gelet op voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is geweest vanwege zijn medische omstandigheden. Het dossier bevat hiervoor ook geen aanwijzingen. Daarbij komt dat eiser de gelegenheid heeft gehad om voor zijn medische omstandigheden een arts te bezoeken. Mede daardoor is niet gebleken dat de medische zorg tijdens de inbewaringstelling voor eiser ontoereikend is geweest.

Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer is voldaan.6

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »