RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55002
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond en door ambtshalve toetsing beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.1 In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgrond van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 16 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
De minister heeft op 22 september 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld bij de opheffing van de maatregel?
3. Eiser voert aan dat de minister het Openbaar Ministerie (OM) op 17 september 2026 heeft verzocht of er bezwaren bestonden tegen zijn uitzetting. Diezelfde dag heeft de minister het bericht ontvangen dat eiser nog een gevangenisstraf van 86 dagen moet uitzitten. De maatregel is pas op 22 september 2026 opgeheven. Hiermee heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld en onvoldoende gewaarborgd dat de vreemdelingendetentie van eiser zo kort mogelijk heeft geduurd.
Uit het beleid van de minister volgt dat, wanneer tijdens de maatregel van vreemdelingenbewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis nog niet ten uitvoer is gelegd, dit zo snel mogelijk wordt gedaan. De minister moet zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het OM over de executie van dit vonnis.3
De beroepsgrond is niet gebaseerd op een juiste feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt namelijk dat de minister op 21 september 2026 het strafrechtelijk vonnis van het Centraal Justitieel Incassobureau heeft ontvangen. Er is geen reden om te veronderstellen dat de minister er eerder van op de hoogte was dat eiser nog een gevangenisstraf moest uitzitten. Door de vreemdelingenbewaring op 22 september 2026, één dag nadat de minister het strafrechtelijke vonnis had ontvangen, op te heffen, heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.4
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.