RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.3 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.4 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.6
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, omdat volgens de minister de openbare orde dit vordert vanwege een onderduikrisico.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Lopend beroep en voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit
5. Eiser voert aan dat het door hem ingestelde beroep tegen zijn afgewezen asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening gevoegd dan wel in nauwe samenhang behandeld moeten worden met de voorliggende procedure, omdat de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring afhangt van de rechtmatigheid van de afwijzing van zijn asielaanvraag (tevens terugkeerbesluit). Eiser bestrijdt in dat beroep de inhoudelijke beoordeling van het gestelde risico bij terugkeer naar Algerije.
De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 23 september 2026 eisers asielaanvraag is afgewezen. Dat besluit houdt ook een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen in. Eiser is op 24 september 2026 in bewaring gesteld. Eiser heeft op 28 september 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit en om een voorlopige voorziening verzocht. Het beroep en de voorlopige voorziening moeten nog worden behandeld; een zittingsdatum is nog niet bekend.
Dat betekent echter niet dat de onderhavige maatregel van vreemdelingenbewaring niet gebaseerd mag worden op de afwijzing van de asielaanvraag van 23 september 2026 en het daarin opgenomen terugkeerbesluit. Dit mag namelijk als dit besluit voldoet aan de specifieke vereisten die aan een terugkeerbesluit worden gesteld en aan de algemene vereisten die aan elk besluit worden gesteld.7 Daar is hier sprake van. Deze rechtbank heeft bij de beoordeling van een eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring al geoordeeld dat dit besluit op juiste wijze bekend is gemaakt.8 De rechtbank heeft geen reden om daar nu anders over te oordelen. De bewaringsrechter mag, ook na het arrest Adrar, niet oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, ook niet door te beoordelen of bij de vaststelling van dat besluit voldoende rekening is gehouden met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.9 Wel moet, in het kader van de vraag of sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, het risico op refoulement worden beoordeeld. Dit geldt ook als de bewaringsrechter eerder toekomt aan de beoordeling van het beginsel van non-refoulement dan de rechter in een procedure over een meeromvattend besluit.10 Deze beoordeling volgt hierna. Het enkele feit dat het beroep en de voorlopige voorziening tegen de afgewezen asielaanvragen nog niet zijn behandeld, betekent dus niet dat geen uitspraak kan worden gedaan op het beroep tegen de onderhavige bewaringsmaatregel of dat eiser daardoor een effectief rechtsmiddel wordt onthouden. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij op grond van artikel 94 van de Vw 2000 gehouden is om binnen 15 dagen uitspraak te doen over de toepassing of tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Daarom bestaat geen ruimte om de uitspraak aan te houden in afwachting van de behandeling van een procedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Eiser betwist de gronden b, h, p, r en s. Volgens eiser is onder andere ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij niet wil voldoen aan het terugkeerbesluit en werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat hij zich niet zou hebben gemeld bij de korpschef.
De beroepsgrond slaagt niet. De gronden a en r zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en zijn samen voldoende om de maatregel te dragen. Ten eerste is grond a niet betwist. Wat betreft grond r overweegt de rechtbank dat de minister terecht heeft overwogen dat geen sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling niet op enig adres is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) in Nederland, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, en dat eiser zich daardoor niet beschikbaar stelt voor voorbereidingen op terugkeer en/of de verwijderingsprocedure. Dit betekent dat sprake is van een onderduikrisico. Nu de gronden a en r de maatregel al kunnen dragen, behoeven de overige betwiste gronden geen bespreking meer.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.11
De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft ook zelf verklaard dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Daarnaast is niet gebleken dat de motivering van de afweging van een lichter middel innerlijk tegenstrijdig is. Uit de hele motivering van het lichter middel blijkt dat eiser niet vrijwillig wil terugkeren.
Non-refoulementbeginsel
8. Eiser voert aan dat de minister niet goed aan het non-refoulementbeginsel heeft getoetst.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de non-refoulement beoordeling recent is gemaakt bij de afwijzing van het asielverzoek van eiser. Uit dat besluit volgt dat eiser niet te vrezen heeft bij terugkeer naar zijn land van herkomst.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.12
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.