RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57460
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 25 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.1
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Vorige maatregel
3. Eiser voert aan dat hij eerder, op 4 september 2026, in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Zijn (opvolgende) asielaanvraag is op 22 september 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Die maatregel vaan vreemdelingenbewaring is pas op 25 september 2026 – en daarmee niet tijdig – omgezet. Dat betekent volgens eiser dat die maatregel onrechtmatig is. De onrechtmatigheid van de vorige maatregel werkt door in de huidige maatregel.2 Zo is het voortraject onrechtmatig. Eiser is op 25 september 2026 namelijk gelicht voor een gehoor over de huidige maatregel.3 Op dat moment was echter geen grondslag om eiser te lichten. De voorafgaande maatregel was op dat moment immers onrechtmatig geworden en de huidige maatregel is pas later opgelegd. Tot slot voert eiser aan dat moet worden beoordeeld of het redelijkerwijs nodig was dat eiser is gelicht.
De rechtbank stelt vast dat het vervolgberoep, gericht tegen de vorige maatregel van bewaring, op dit moment staat gepland om behandeld te worden op de zitting van 9 oktober 2026. Deze datum ligt na sluiting van het onderzoek in onderhavige procedure. Dat wat eiser heeft aangevoerd tegen de vorige maatregel, en de daarmee samenhangende lichting, dient in die procedure beoordeeld te worden en laat de rechtbank daarom in deze uitspraak onbesproken.4
Starten gehoor zonder voorkeursadvocaat
4. Eiser voert aan dat zijn voorkeursadvocaat niet voorafgaande aan het gehoor is geïnformeerd. Het lichtingsverzoek dateert van 22 september 2026. De minister wist dus tijdig dat eiser op 25 september 2026 zou worden gehoord. Niet valt in te zien dat eisers voorkeursadvocaat niet kort na 22 september 2026 kon worden geïnformeerd over het geplande gehoor.
In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat de minister een vreemdeling tijdig in kennis moet stellen van het recht om in het bijzijn van een advocaat te worden gehoord. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt deze voorkeursadvocaat door de minister bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond. Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat als de vreemdeling geen advocaat bij het gehoor wenst.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor (M110) volgt dat de verbalisant voorafgaande aan het gehoor heeft gebeld met de voorkeursadvocaat van eiser (gemachtigde), maar dat deze niet opnam. Omdat twee uren waren verstreken sinds het inlichten van de piketdienst is gestart met het gehoor. Eiser heeft er ook mee ingestemd dat zou worden gestart met het gehoor, zonder aanwezigheid van gemachtigde. Uit de M110 volgt tevens dat het gehoor tussentijds is onderbroken, omdat gemachtigde telefonisch contact met de verbalisant opnam. Eiser heeft vervolgens met gemachtigde gesproken. Daarna is het gehoor voortgezet.
Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze gang van zaken voldoende gewaarborgd dat eiser bijstand kon krijgen van zijn voorkeursadvocaat . Geprobeerd is haar te bereiken, maar zij was niet bereikbaar. Vervolgens is aan eiser gevraagd of kon worden aangevangen met het gehoor zonder zijn voorkeusadvocaat. Deze gang van zaken is in overeenstemming met paragraaf A5/6.5 van de Vc 2000. Daar komt bij dat het gehoor tussentijds is onderbroken om eiser de mogelijkheid te geven telefonisch met gemachtigde te overleggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Eiser heeft namelijk uitdrukkelijk verzocht om toepassing van een lichter middel. Daarnaast is eisers asielaanvraag afgewezen. Hiertegen heeft hij beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam is echter medegedeeld dat de zaak niet met voorrang zal worden behandeld. Dit betekent dat eiser langer van zijn vrijheid wordt beroofd, waardoor de maatregel niet langer proportioneel is.
De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onderduikrisico. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om aan de gronden te twijfelen. Dat eiser langer van zijn vrijheid wordt beroofd, nu het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet met voorrang wordt behandeld op een zitting, weegt niet op tegen dit onderduikrisico. Ook is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is (geworden) of dat er verder aanleiding had moeten zijn om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere kwetsbaarheid van eiser
6. Eiser voert aan dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende kenbaar in de belangenafweging zijn betrokken. Hij heeft namelijk verklaard stress te ervaren, depressief te zijn en te vrezen voor medegedetineerden, mede vanwege zijn geaardheid. De minister heeft enkel gesteld dat eiser niet detentieongeschikt is. De vraag of iemand medisch gezien detentieongeschikt is, is echter een andere dan de vraag of vreemdelingenbewaring noodzakelijk en proportioneel is gelet op diens individuele kwetsbaarheid en veiligheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser zoals die door hem naar voren zijn gebracht. In de maatregel heeft de minister gemotiveerd dat eiser sinds 4 september 2026 in detentie zit. Hij heeft een intake gehad waarbij hij zijn medische problemen kenbaar heeft kunnen maken en krijgt de benodigde zorg. Op het detentiecentrum wordt er zover mogelijk rekening gehouden met eisers psychische problematiek. Verder staat in de maatregel dat eiser eerder op een luwteafdeling is geplaatst. Als daarvoor aanleiding is, zal opnieuw worden beoordeeld of eiser op de luwteafdeling moet worden geplaatst. In de basis zal er alles aan worden gedaan om de veiligheid van eiser tijdens zijn detentie te garanderen. Als eiser problemen heeft, kan hij dit te allen tijde melden bij medewerkers van het detentiecentrum. Daarnaast zijn op het detentiecentrum een medische dienst en psychologen aanwezig. Eisers gedrag en gemoedstoestand hebben tot op heden geen aanleiding gegeven tot het inroepen van (extra) medische zorg, zo volgt uit de maatregel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze motivering mogen volstaan en is eisers (gestelde) bijzondere kwetsbaarheid voldoende betrokken in de belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.5
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.