ECLI:NL:RBDHA:2026:28244

Datum uitspraak
28-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.27545
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel Oezbekistan; bestreden besluit zorgvuldig voorbereid; de minister heeft de asielaanvragen van eiser en zijn partner op eigen individuele merites beoordeeld en hoefde de aanvragen niet gezamenlijk te behandelen; gehoor zorgvuldig, persoonlijke omstandigheden stonden niet in de weg om consistent en voldoende duidelijk te verklaren; arrest Ebilum; Werkinstructie 2024/6; toereikende geloofwaardigheidsbeoordeling, art. 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000; problemen vanwege sjiitische geloofsovertuiging en problemen met ex-vrouw terecht ongeloofwaardig, verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (c) en in grote lijnen niet geloofwaardig (e); reëel risico op ernstige schade bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt; beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27545

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de asielaanvraag van eiser zorgvuldig beoordeeld en de door eiser gestelde problemen vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging en die met zijn ex-vrouw terecht ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop. Onder 4 is het asielrelaas weergegeven en onder 5 het bestreden besluit. Vanaf 6 volgt de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank. Aan het eind, onder 16, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.27546, op 1 september 2026 op zitting behandeld Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

2.3.

De rechtbank heeft de zaak van eiser gelijktijdig met de zaak van zijn partner (NL26.27543) op de zitting behandeld, maar de zaken zijn niet gevoegd behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026 en verwijzing naar regelgeving betreft dus regelgeving zoals die luidde vóór die datum.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Oezbeekse nationaliteit heeft en in Oezbekistan problemen heeft ondervonden vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging. Volgens eiser heeft hij daarom van 2006 tot 2008 gevangen gezeten en vreest hij bij terugkeer opnieuw te worden aangehouden. Eiser stelt dat sjiieten in Oezbekistan door de autoriteiten worden vervolgd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij na zijn komst naar Nederland persoonlijke problemen heeft gekregen met zijn ex-vrouw in verband met een alimentatiegeschil. Zijn belangrijkste reden voor vertrek is de vrees voor vervolging in Oezbekistan vanwege zijn geloof. Eiser wil in vrijheid kunnen leven en stelt dat hij in Oezbekistan geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten of andere instanties.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. Problemen met de autoriteiten vanwege zijn religie;

  3. Problemen met ex-vrouw vanwege een alimentatiegeschil.

5.1.

De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser en de gestelde problemen met de autoriteiten vanwege zijn religie en met zijn ex-vrouw acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser zijn relaas niet voldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij daar, voor wat betreft zijn identiteit, geen bevredigende verklaring voor gegeven. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel, zodat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij wisselend, tegenstrijdig en summier heeft verklaard over de gestelde detentie vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging en de gestelde problemen met zijn ex-vrouw. Ook werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw 2000) en stelt de minister zich, mede gelet op het feit dat eiser voorafgaand aan zijn asielaanvraag meermaals heeft verklaard geen problemen te hebben gehad in Oezbekistan, op het standpunt dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000). Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Het enkele feit dat eiser uit Oezbekistan afkomstig is, is daarvoor onvoldoende. Daarom loopt eiser volgens de minister bij terugkeer naar Oezbekistan ook geen reëel risico op ernstige schade. Omdat eiser volgens de minister kennelijk inconsequente, tegenstrijdige en valse verklaringen heeft afgelegd, zijn asielaanvraag niet onmiddellijk heeft ingediend, terwijl hij al meerdere jaren in Nederland verbleef en valse informatie heeft gegeven over zijn identiteit, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.1

Heeft de minister het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?

Had de minister de asielaanvragen gezamenlijk moeten behandelen?

6. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag en die van zijn partner gezamenlijk hadden moeten worden beoordeeld, omdat de asielrelazen nauw met elkaar samenhangen. Hij wijst daarbij op hun gezamenlijke achtergrond, hun sjiitische geloof, hun huwelijk en de omstandigheden waaronder zij Oezbekistan hebben verlaten. Volgens eiser ondersteunen hun verklaringen elkaar en zijn deze verklaringen volgens de correcties en aanvullingen onderling consistent. Verder verwijst eiser naar de besluitvorming, waarin de minister ook naar de procedure van zijn partner heeft verwezen. Daarom had volgens eiser een integrale beoordeling moeten plaatsvinden van zowel de individuele omstandigheden als de gezamenlijke situatie.

6.1.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het asielrelaas van eiser staat los van dat van zijn partner die stelt uit Oezbekistan te zijn vertrokken vanwege problemen met haar ex-partner. Dat beiden uit Oezbekistan komen en het sjiitische geloof aanhangen maakt dit, anders dan eiser stelt, niet anders nu dit niet zonder meer maakt dat de asielrelazen in elkaar grijpen en elkaar versterken. De minister heeft de asielaanvraag van eiser op zijn eigen individuele merites beoordeeld. Dat de rechtsgevolgen van de besluiten van eiser en zijn partner op elkaar zijn afgestemd maakt dit niet anders. Dit ziet immers niet op de inhoud van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser vanwege de gestelde samenhang met de aanvraag van zijn partner niet zorgvuldig heeft kunnen beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Zorgvuldigheid van het gehoor

7. Eiser voert aan dat de minister bij het gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser wijst erop dat hij stressklachten en nier- en hartproblemen heeft, moeite heeft met lezen en schrijven en dat zijn schoonvader, die hij als zijn vader beschouwde, kort vóór het nader gehoor is overleden. Volgens eiser kunnen deze omstandigheden van invloed zijn geweest op zijn concentratie, geheugen en de wijze waarop hij tijdens de gehoren heeft verklaard. Daarom kunnen eventuele onduidelijkheden of verschillen in zijn verklaringen volgens eiser niet zonder meer aan hem worden tegengeworpen.

7.1.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het MedTadvies2 blijkt niet dat eiser klachten had die van invloed waren op zijn vermogen om het nader gehoor af te leggen. Wel blijkt daaruit dat eiser moeite heeft met lezen en schrijven3. Eiser heeft echter niet geconcretiseerd of onderbouwd hoe zijn persoonlijke en medische omstandigheden van invloed zijn geweest op zijn verklaringen. Daarbij is van belang dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij lichamelijk en geestelijk in staat was het gehoor af te leggen en dat er niets anders was waarmee rekening moest worden gehouden.4 Tijdens het gehoor is bovendien meerdere keren gevraagd hoe het met eiser ging. Aan het einde heeft eiser verklaard dat hij moe was en honger had, maar niet dat hij niet meer in staat was om te verklaren.5 De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de door eiser genoemde omstandigheden van invloed te achten op de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. De minister mocht deze verklaringen dan ook bij de beoordeling betrekken. Daarbij is van belang dat de aan eiser tegengeworpen verschillen niet uitsluitend betrekking hebben op kleine onduidelijkheden of detailverschillen, maar op verklaringen over essentiële onderdelen van zijn asielrelaas. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden eraan in de weg stonden hierover consistent en voldoende duidelijk te verklaren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid.

Heeft de minister een toereikende geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?

8. De minister heeft op de zitting de tegenwerping dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is, laten vallen. De rechtbank zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser. Omdat dit voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de overige asielmotieven en de zwaarwegendheid geen verschil maakt ziet de rechtbank geen aanleiding om hier nadere gevolgen aan te verbinden.

Arrest Ebilum

9. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank beoordeelt daarom zelfstandig of de verklaringen van eiser geloofwaardig zijn en zal daarbij niet langer de terughoudende maatstaf hanteren of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op zijn standpunt heeft gesteld.

Is Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd met het Unierecht?

10. Eiser voert aan dat de minister een te strenge geloofwaardigheidsmaatstaf heeft toegepast. Volgens eiser legt de minister te veel nadruk op het ontbreken van documenten, vermeende inconsistenties en detailverschillen en is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling mogelijk in strijd met het Unierecht. Daarbij verwijst eiser naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, over de verenigbaarheid van de gewijzigde geloofwaardigheidsbeoordeling met het Unierecht.6

10.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid WI 2024/6 heeft toegepast. De rechtbank stelt vast dat de minister daarbij niet alleen heeft gekeken naar het ontbreken van documenten, inconsistenties en detailverschillen, maar een integrale beoordeling heeft gemaakt. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025.7 Daarin is geoordeeld dat WI 2024/6, zoals de minister deze toepast, niet in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. De minister hoefde daarom de beantwoording van de prejudiciële vragen niet af te wachten.

Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)

11. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de door hem gestelde problemen vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging onvoldoende acht heeft geslagen op algemene landeninformatie over Oezbekistan. Volgens eiser blijkt uit internationale bronnen8 dat in Oezbekistan sprake is van beperkingen van de religieuze vrijheid, toezicht op religieuze groepen en druk op religieuze minderheden. Dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging heeft eiser ook steeds consistent verklaard. Zo heeft hij verklaard dat hij van 2006 tot 2008 gevangen heeft gezeten. Het enkele feit dat uit de officiële documenten over zijn detentie niet blijkt dat hij vanwege zijn religie is gedetineerd, betekent volgens eiser niet dat zijn religieuze achtergrond geen rol heeft gespeeld. Eiser betwist daarmee de tegenwerping dat nergens uit is gebleken dat hij op religieuze gronden is gedetineerd.

11.1.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiser over zijn gestelde detentie vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Anders dan eiser stelt heeft hij niet consistent verklaard over zijn gestelde problemen vanwege deze sjiitische geloofsovertuiging. Zo heeft eiser weliswaar verklaard dat hij van 2006 tot 2008 heeft vastgezeten vanwege valse beschuldigingen, maar hij heeft ook verklaard dat dit het gevolg is geweest van een vechtpartij9. Bovendien blijkt volgens eiser uit de overgelegde stukken, namelijk het bewijs van vrijlating, niet dat de detentie verband hield met zijn religieuze overtuiging. De door eiser aangehaalde landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze informatie blijkt weliswaar dat in Oezbekistan sprake is van beperkingen van de religieuze vrijheid, toezicht op religieuze groepen en druk op religieuze minderheden, maar daaruit volgt niet dat eiser vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging is gedetineerd. De landeninformatie bevat geen concrete aanwijzingen voor de persoonlijke situatie van eiser en biedt daarom geen steun voor zijn verklaring dat hij vanwege zijn religie onder valse voorwendselen is gedetineerd. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister bij de beoordeling van de gestelde problemen vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging niet enkel heeft gekeken naar de detentie in de periode van 2006 tot 2008. De minister heeft eiser ook terecht tegengeworpen dat zijn verklaringen over de ondervragingen die daarna door de politie zouden hebben plaatsgevonden vaag en summier zijn. Daarnaast heeft de minister terecht belang gehecht aan het feit dat eiser in 2016 naar Oezbekistan is teruggekeerd zonder te worden opgepakt en dat hij de conclusie dat hij wordt gezocht door de Oezbeekse autoriteiten enkel baseert op het feit dat hij eerder in detentie heeft gezeten zonder hier verdere concrete aanknopingspunten voor te hebben. Al deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep niet bestreden.

In grote lijnen niet geloofwaardig (voorwaarde e)

12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uit het gebruik van een onjuiste Bulgaarse identiteitskaart en de door hem afgelegde verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit heeft geconcludeerd dat hij in grote lijnen niet geloofwaardig is. Volgens eiser betekent het gebruik van een onjuist document niet automatisch dat zijn gehele asielrelaas ongeloofwaardig is. Juist in asielzaken komt het regelmatig voor dat vreemdelingen uit wanhoop, afhankelijkheid of onzekerheid verkeerde keuzes maken omtrent documenten. De minister had ieder relevant onderdeel van zijn relaas afzonderlijk en in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Volgens eiser heeft de minister dat niet gedaan en is hij vanuit een algemene ongeloofwaardigheidsconclusie naar het gehele relaas van eiser gaan kijken.

12.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister het gebruik van de valse Bulgaarse identiteitskaart bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft mogen betrekken. Eiser heeft eerder op 22 augustus 2023 tijdens een gehoor bij de Directie regulier verblijf en Nederlanderschap verklaard dat hij de Bulgaarse nationaliteit bezit en dat hij deze sinds 2018 heeft. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een Bulgaarse identiteitskaart overgelegd. Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is op 22 augustus 2023 gebleken dat deze identiteitskaart vals is. Eiser is hierover tijdens het gehoor van 22 augustus 2023 bij de Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap van de IND geïnformeerd. Hij heeft toen verklaard niet te weten hoe dit kan, omdat hij zelfs in Bulgarije is geweest om vingerafdrukken af te geven Dat de minister de tegenwerping over de geloofwaardigheid van eisers identiteit in deze procedure op zitting heeft laten vallen, maakt niet dat deze eerdere verstrekking van onjuiste gegevens niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister zijn standpunt dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd niet uitsluitend op deze identiteitskaart gebaseerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister het gehele relaas heeft beoordeeld en daarbij ook de overige verklaringen en omstandigheden heeft betrokken. Bij de vaststelling dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, heeft de minister ook betrokken dat eiser meerdere jaren in Nederland heeft gewoond (sinds 2016) zonder asiel aan te vragen, hij voor het nader gehoor meerdere keren heeft verklaard geen problemen te hebben gehad in Oezbekistan en dat hij in 2016 weer terug is gekeerd naar Oezbekistan en in 2017 weer is teruggekeerd naar Nederland. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister vanuit een algemene ongeloofwaardigheidsconclusie naar het gehele relaas van eiser heeft gekeken.

Samenhang tussen verschillende motieven

13. Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen over de problemen met zijn ex-echtgenote vanwege het alimentatiegeschil onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld met zijn sjiitische geloofsovertuiging.

13.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister heeft de gestelde problemen met de ex-echtgenote vanwege het alimentatiegeschil terecht ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft de aan deze beoordeling ten grondslag gelegde tegenwerpingen in beroep niet afzonderlijk bestreden. Dat eiser stelt dat deze problemen moeten worden bezien in samenhang met zijn sjiitische geloofsovertuiging, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat ook de gestelde problemen met de autoriteiten vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging niet geloofwaardig zijn. De gestelde samenhang tussen beide problemen kan daarom niet tot een andere beoordeling leiden.

Conclusie

14. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de minister de gestelde problemen van eiser met de autoriteiten vanwege zijn religieuze overtuiging en met zijn ex-echtgenote terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De beroepsgronden over de geloofwaardigheidsbeoordeling slagen daarom niet.

Heeft de minister het asielrelaas terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?

15. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of hij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met zijn sjiitische achtergrond en de gezamenlijke risico’s van hem en zijn partner bij terugkeer. Eiser en zijn partner behoren beiden tot de sjiitische minderheid, zijn in Nederland met elkaar gehuwd en hun gestelde problemen hangen nauw met elkaar samen. Daarbij wijst eiser op landeninformatie over onder meer willekeurige detentie, mensenrechtenschendingen en de positie van religieuze minderheden in Oezbekistan.10 Onder verwijzing naar het Adrar-arrest11 betoogt eiser dat de minister gehouden is zelfstandig en concreet te beoordelen of terugkeer leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met het beginsel van non-refoulement.

15.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij vanwege zijn religieuze overtuiging problemen heeft ondervonden met de autoriteiten en dat hij vanwege het alimentatiegeschil problemen heeft gehad met zijn ex-vrouw. De door eiser gestelde individuele risico’s bij terugkeer zijn op deze gebeurtenissen gebaseerd. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen gegeven waaruit volgt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele omstandigheid dat eiser sjiiet is, is daarvoor onvoldoende. De overgelegde landeninformatie beschrijft wel beperkingen van de religieuze vrijheid en problemen voor religieuze minderheden, maar biedt geen concrete aanknopingspunten dat eiser als sjiiet persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook de gestelde gezamenlijke risico’s leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet nader geconcretiseerd waarom het in Nederland aangegane huwelijk bij terugkeer naar Oezbekistan tot problemen zal leiden en hoe dit tot een reëel risico op ernstige schade leidt. Voor zover eiser stelt dat de door hem en zijn partner ondervonden problemen met elkaar samenhangen, geldt dat de door haar gestelde problemen in haar procedure ook terecht ongeloofwaardig zijn geacht. Dit heeft de rechtbank geoordeeld in haar uitspraak van

28 september 2026 (NL26.27543). Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De hieraan ten grondslag gelegde omstandigheden, namelijk dat eiser verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn, zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en valse informatie heeft gegeven over zijn identiteit, zijn eiser immers terecht tegengeworpen.

16.1.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »