ECLI:NL:RBDHA:2026:28194

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.29587
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

asiel; terugverwezen naar de rechtbank; Somalische nationaliteit ongeloofwaardig; gestelde verblijf in Somalië ongeloofwaardig; risico op refoulement Ethiopië; sprake van een gebrek; tussenuitspraak.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen om dat gebrek te herstellen. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 oktober 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 februari 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser is tegen deze afwijzing in beroep gegaan. Het beroep tegen deze afwijzing is bij uitspraak van 11 maart 2025 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard.1 Bij uitspraak van 15 april 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht

3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben. Zijn ouders zijn in 1991 vanwege de oorlog uit Somalië gevlucht naar de regio Yoocaale in Ethiopië, waar eiser in [geboortedatum] 2000 is geboren. In 2011 is het gezin van eiser aangevallen, waarbij eisers moeder en broer zijn gedood. Eiser is eind 2011 of begin 2012 door een oom opgehaald en meegenomen naar Zuid-Somalië, waar hij ongeveer twee jaren heeft verbleven. Daar is eiser in 2014 bedreigd door Al-Shabaab, die hem wilde rekruteren. Eiser heeft vervolgens Somalië verlaten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser voor Al-Shabaab en bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser voor de mensen die zijn broer en moeder hebben gedood.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- aanval op gezin in Yoocaale, Ethiopië;

- problemen met Al-Shabaab in Zuid-Somalië.

5.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig zijn en dat eisers herkomst deels geloofwaardig is. De minister acht het namelijk geloofwaardig dat eiser afkomstig is uit Yoocale in Ethiopië en daar is opgegroeid, maar niet dat eiser een Somalische nationaliteit heeft en een paar jaar in Zuid-Somalië heeft verbleven. De minister heeft daarom een taalanalyse bij Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) laten uitvoeren. Uit deze taalanalyse volgt dat het niet aannemelijk is dat eiser voorafgaand aan zijn vertrek in Zuid-Somalië heeft verbleven. Verder acht de minister de aanval op het gezin in Yoocale, Ethiopië geloofwaardig. De minister heeft de problemen met Al-Shabaab in Zuid-Somalië niet verder beoordeeld, omdat eisers gestelde Somalische nationaliteit niet geloofwaardig is. Om diezelfde reden is ook niet beoordeeld of eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië.

Terugverwijzing

6. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser op 11 maart 2025 gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet geloofwaardig is dat eiser de Somalische nationaliteit heeft. De rechtbank is van oordeel dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of eiser in andere procedures zelf expliciet heeft verklaard dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft, of dat de betreffende autoriteiten hem slechts als Ethiopiër hebben aangemerkt omdat hij heeft verklaard in Yoocaale in Ethiopië te zijn geboren. Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister ten onrechte geen standpunt heeft ingenomen over de vraag of het aannemelijk is dat de ouders van eiser in 1991 van Somalië naar Ethiopië zijn gevlucht en dat zij nooit de Ethiopische nationaliteit hebben verkregen. Gelet daarop heeft de rechtbank de overige beroepsgronden niet meer besproken.

6.1.

De Afdeling heeft op 15 april 2026 de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan en de minister een te vergaande onderzoeksplicht heeft opgelegd. Volgens artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is het aan de vreemdeling om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Het door de rechtbank toegepaste criterium, dat niet kan worden uitgesloten dat in andere lidstaten verwarring is ontstaan, past niet in die gebruikelijke bewijslastverdeling. Ook heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister het vluchtverhaal van de ouders bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de nationaliteit heeft betrokken. De Afdeling heeft de zaak daarom teruggewezen naar de rechtbank om opnieuw te worden behandeld met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de Afdeling in het bijzonder gewezen op de nog onbesproken gelaten beroepsgronden over de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond en het terugkeerbesluit voor Ethiopië.

Omvang van het geding

7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een teruggewezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling over de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing. Nieuwe gronden kunnen in een terugverwezen zaak niet meer worden aangevoerd, nieuwe stukken ter ondersteuning van eerdere gronden wel.2 De rechtbank beoordeelt daarom uitsluitend de beroepsgronden die in eerste aanleg zijn aangevoerd en na de uitspraak van de Afdeling nog ter beoordeling voorliggen.

Heeft de minister terecht gesteld dat de Somalische nationaliteit van eiser ongeloofwaardig is?

8. Eiser voert aan dat de minister zijn Somalische nationaliteit ten onrechte ongeloofwaardig acht. Volgens eiser heeft hij de Somalische nationaliteit, omdat zijn ouders Somalisch waren. Eisers ouders zijn afkomstig uit Somalië en zijn in 1991 als vluchtelingen naar Ethiopië gegaan. Zij hebben volgens eiser nooit de Ethiopische nationaliteit gekregen zodat ook hij, toen hij in 2000 werd geboren, Somaliër was. Dat eiser in andere Europese landen naast Somalisch soms ook geregistreerd staat als Ethiopisch of staatloos, kan hem niet worden tegengeworpen. Eiser voert aan dat hij namelijk altijd dezelfde gegevens heeft overgelegd en dat de lidstaten hier zelf mogelijk verschillende conclusies aan hebben verbonden. Volgens eiser is het bovendien moeilijk om dit soort registraties te corrigeren. Eiser voert verder aan dat hij in bewijsnood verkeert omdat hij, zoals zoveel mensen uit Somalië, geen identiteitspapieren heeft.3 Daarbij is volgens eiser van belang dat hij minderjarig was toen hij naar Europa kwam. Ter onderbouwing van zijn nationaliteit heeft hij een verklaring van geboorte overgelegd die door de Somalische ambassade in Brussel is afgegeven. Eiser voert aan dat hij daarmee heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting.

8.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de Somalische nationaliteit van eiser niet geloofwaardig is. Het is aan eiser om zijn nationaliteit aannemelijk te maken. De minister stelt terecht dat eiser daarin niet is geslaagd. In de eerste plaats heeft eiser geen documenten overgelegd die zijn nationaliteit aantonen. Ten aanzien van de overgelegde verklaring van geboorte merkt de minister terecht op dat daarin staat dat het is afgegeven “after having verified the source and validity of the applicant’s official IDs.” Vaststaat echter dat eiser helemaal geen officiële identiteitsdocumenten heeft, zodat niet duidelijk is op basis van welk onderzoek de ambassade de verklaring van geboorte heeft afgegeven. De minister heeft aan deze verklaring daarom geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Daarnaast staat eiser in verschillende Europese landen geregistreerd met een andere nationaliteit of als staatloos. Deze registraties roepen twijfel op over de door eiser gestelde nationaliteit. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten genoemd waaruit volgt dat de registraties in andere landen onjuist zijn, terwijl het wel aan hem is om dat aannemelijk te maken. De enkele stelling dat die andere landen ‘mogelijk’ zelf de conclusie hebben getrokken dat eiser een andere nationaliteit heeft, is daarvoor onvoldoende. Ook als wordt uitgegaan van de verklaringen van eiser over de vlucht van zijn ouders, laat dit onverlet dat het aan eiser is om de Somalische nationaliteit van zijn ouders, en daarmee zijn eigen nationaliteit aannemelijk te maken. Het beroep van eiser dat sprake is van bewijsnood leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke inspanningen hij heeft verricht om (aanvullende) documenten over zijn nationaliteit, of over die van zijn ouders, te krijgen.

Heeft de minister het gestelde verblijf van eiser in Somalië terecht ongeloofwaardig geacht?

9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig acht dat hij voorafgaand aan zijn vertrek twee jaar in Zuid-Somalië heeft verbleven. Volgens eiser volgt uit de taalanalyse, net als uit zijn verklaringen, dat hij is geboren en opgegroeid in het Somalische deel van Ethiopië. Dat volgens de taalanalyse niets in zijn spraak op een langer verblijf in Somalië duidt, kan volgens eiser dan ook niet aan hem worden tegenworpen. Hij heeft namelijk verklaard dat hij tijdelijk, twee jaar voor zijn vertrek, in Zuid-Somalië heeft verbleven en dat het dus niet gaat om een langdurig verblijf, zoals in de taalanalyse staat vermeld. Daarbij is volgens eiser ook van belang dat hij inmiddels meer dan tien jaar geleden uit Somalië is vertrokken en dat dit ook invloed heeft op het Somalisch dat hij spreekt. Eiser voert aan dat er concrete twijfels zijn over de juistheid van de taalanalyse en heeft daarom een contra-expertise laten uitvoeren. Volgens eiser blijkt daaruit het tegenovergestelde. Eiser voert aan dat het op de weg van de minister had gelegen om hem vragen te stellen over de periode dat hij in Zuid-Somalië verbleef om op die manier vast te kunnen stellen in hoeverre eiser zich specifieke taalkenmerken van dit gebied eigen had kunnen maken.

9.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. In dit geval is bij de minister op grond van de verklaringen van eiser twijfel ontstaan over zijn gestelde verblijf voorafgaand aan zijn vertrek in Zuid-Somalië. De minister heeft daarom een taalanalyse laten uitvoeren door TOELT. Daaruit volgt dat de spraak van eiser overeenkomt met de spraak in het Somalische deel van Ethiopië en geen elementen bevat die wijzen op een verblijf in Zuid-Somalië. TOELT heeft daarbij betrokken dat eiser heeft verklaard ongeveer drie jaar, van zijn elfde tot zijn veertiende levensjaar, in Zuid-Somalië te hebben verbleven. Volgens TOELT mag, gelet op de duur van dat verblijf en de leeftijd van eiser in die periode, worden verwacht dat een dergelijk verblijf in enige mate in zijn spraak merkbaar zou zijn.

9.2.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit vaste rechtspraak volgt dat een advies van TOELT een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden.4 De minister mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende ervan heeft vergewist dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen en aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd. Daarbij is van belang dat TOELT naar aanleiding van de zienswijze van eiser op 4 december 2023 met een weerwoord een nadere toelichting heeft gegeven. TOELT is daarin inhoudelijk en kenbaar ingegaan op de zienswijze van eiser en heeft daarmee de taalanalyse nader inzichtelijk gemaakt en de daarop gebaseerde conclusies verduidelijkt.

9.4.

De door eiser overgelegde contra-expertise van Verified leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Volgens Verified kan een taalanalyse niet bevestigen dat eiser gedurende een relatief korte periode in Zuid-Somalië heeft verbleven en is niet uitgesloten dat hij dit dialect niet heeft leren spreken, gelet op de verblijfsduur en zijn situatie daar. De rechtbank acht echter van belang dat de contra-expertise de geconstateerde twijfel over het gestelde verblijf van eiser in Zuid-Somalië niet wegneemt. Daar komt bij dat TOELT ook op de contra-expertise met een weerwoord op 27 september 2024 een nadere toelichting heeft gegeven.

9.5.

Gelet op de uitkomst van de taalanalyse en de nadere toelichtingen van TOELT is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verblijf van eiser voorafgaand aan zijn vertrek in Zuid-Somalië ongeloofwaardig is.

Heeft de minister de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond?

10. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat geen sprake is van misleiding. Volgens eiser bevestigt de taalanalyse juist wat hij heeft verteld over waar hij is geboren en opgegroeid. Dat de taalanalyse uitwijst dat geen enkel element in zijn spraak wijst op een lang verblijf in Zuid-Somalië is volgens eiser onvoldoende om misleiding aan te nemen. Ook de verschillende registraties in andere landen zijn volgens eiser onvoldoende. Eiser voert aan dat om die reden ook het inreisverbod geen stand kan houden.

10.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Voor toepassing van deze bepaling is van belang dat eiser probeert in een gunstigere positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden.5 Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De minister heeft, zoals overwogen onder 9.5, terecht ongeloofwaardig geacht dat eiser de jaren voorafgaand aan zijn vertrek in Somalië heeft verbleven. De minister heeft zich daarbij op de taalanalyse mogen baseren waaruit volgt dat eisers spraak eenduidig niet is te herleiden tot Zuid-Somalië. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser met zijn gestelde verblijf in Somalië heeft geprobeerd in een gunstigere positie te komen. Omdat de minister het beroep kennelijk ongegrond mocht verklaren, mocht ook aan eiser een inreisverbod worden opgelegd.6

Had de minister het risico op refoulement bij terugkeer naar Ethiopië moeten beoordelen?

11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser had de minister daar nader onderzoek naar moeten doen, zeker nu de minister geloofwaardig heeft geacht dat zijn moeder en broer daar zijn gedood. Eiser wijst erop dat lidstaten op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het verbod op non-refoulement in beginsel moeten respecteren bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. 7 Volgens eiser moet het terugkeerbesluit daarom worden vernietigd.

11.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd met Ethiopië als land van terugkeer, omdat zijn herkomst uit Ethiopië geloofwaardig is. Volgens de minister hoeft hij niet nader te onderzoeken of eiser daadwerkelijk naar Ethiopië kan terugkeren, omdat eiser niet stelt dat hij de Ethiopische nationaliteit bezit. De minister verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024.8 Volgens de minister volgt daaruit dat hij de asielmotieven van eiser ten aanzien van Ethiopië niet alsnog hoeft door te toetsen.9 Pas als tijdens de terugkeerprocedure een land van nationaliteit wordt vastgesteld, moet afhankelijk van wat de vreemdeling ten aanzien van dat land heeft aangevoerd alsnog worden nagegaan of er sprake is van een risico op refoulement.

11.2.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser heeft aangezegd dat hij moet terugkeren naar Ethiopië, maar dat een refoulementbeoordeling met betrekking tot dat land ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de minister daartoe wel was gehouden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt namelijk dat verwijdering van een vreemdeling mogelijk moet zijn in het licht van het non-refoulementbeginsel.10 Daarnaast volgt uit de door eiser aangehaalde rechtspraak dat de minister een actuele refoulementbeoordeling moet verrichten. Volgens het Hof van Justitie is het juridisch onmogelijk om een terugkeerbesluit te nemen zonder een land van bestemming aan te wijzen waarnaar terugkeer kan plaatsvinden onder eerbiediging van het non-refoulement beginsel.11 Dat de nationaliteit van eiser niet vaststaat, doet daar niet aan af. De minister heeft bovendien de herkomst van eiser uit Ethiopië wel geloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar Ethiopië. Dat betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De minister heeft dit op de zitting erkend en aangeboden het gebrek te herstellen.

11.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het gebrek zelf te herstellen. Daarbij is van belang dat uit het dossier onvoldoende duidelijk wordt of eiser kan terugkeren naar Ethiopië. De minister heeft dit onvoldoende onderzocht. Ook is onvoldoende onderzocht welke betekenis toekomt aan de geloofwaardig geachte aanval op het gezin van eiser bij de beoordeling van het actuele risico bij terugkeer naar Ethiopië. Het is aan de minister om dit nader te onderzoeken en te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op wat onder 11.2 en 11.3 is overwogen, bevat het bestreden besluit een gebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Omdat de minister op de zitting heeft aangeboden het gebrek te herstellen, ziet de rechtbank aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

12.1.

Eiser wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de herstelpoging van de minister daarop te reageren;

  • houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen een tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »