ECLI:NL:RBDHA:2026:28193

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.30775
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

asiel Gambia; identititeit ongeloofwaardig; problemen omdat eiser als artiest actief was ongeloofwaardig; brandstichting ongeloofwaardig; risico op vervolging; ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielmotieven van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht

3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Gambiaanse nationaliteit, behoort tot de Mandinka bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedag] 2008. Eiser heeft verklaard dat hij als artiest veel vijanden had in Gambia, waarbij hij doelwit is geweest door zijn muziek. Hij is door mensen uit de gemeenschap beledigd, bedreigd en mishandeld. Ook is hij doelwit geweest van de politie. Daarnaast heeft eiser, toen hij een mes wilde slijpen, een brand veroorzaakt, waar zijn moeder op dit moment door de gemeenschap op wordt aangesproken. Eiser vreest te worden gezocht en gedood door de gemeenschap.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

  • identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • ondervonden problemen omdat hij actief was als artiest in Gambia;

  • brandstichting.

5.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn en dat eisers identiteit deels geloofwaardig is. De minister stelt namelijk dat de geboortedatum van eiser niet geloofwaardig is. Eiser heeft geen identificerende documenten overgelegd die zijn identiteit volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval. Zijn verklaringen daarover vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.1

5.2.

De minister stelt zich daarnaast op het standpunt dat de ondervonden problemen van eiser omdat hij actief was als artiest in Gambia niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.2

5.3.

De minister stelt zich tot slot op het standpunt dat de brandstichting van eiser niet geloofwaardig is. Ook deze verklaringen heeft eiser niet met objectieve documenten onderbouwd die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat eiser geen documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft.3 Ook vormen zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel.4

Is de toegepaste werkinstructie 2024/6 in strijd met het Unierecht?

6. Eiser voert aan dat de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met artikel 5 van de Kwalificatierichtlijn. Volgens eiser dient de minister alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang te beoordelen. Dit geldt te meer wanneer een vreemdeling objectief beperkt is in zijn mogelijkheden om bewijs te vergaren. Eiser voert aan minderjarig te zijn en zelf niet in het bezit te zijn geweest van identiteitsdocumenten. Van hem kan daarom niet dezelfde mate van onderbouwing worden verlangd als van een meerderjarige vreemdeling.

6.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van de werkinstructie 2024/6 in algemene zin niet in strijd is met het Unierecht. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 25 juni 20255 en 8 september 20256. In wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een andersluidend oordeel. Daarbij is van belang dat de rechtbank, zoals hierna wordt overwogen, van oordeel is dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de minderjarigheid van eiser ongeloofwaardig is. Dat de minister om die reden van eiser minder had mogen verwachten volgt de rechtbank daarom niet. Voor zover eiser daarnaast aanvoert dat de geloofwaardigheidsbeoordeling op andere onderdelen in strijd is met het Unierecht en de minister een te hoge bewijslast hanteert, zal de rechtbank deze beroepsgronden hierna bij de bespreking van de betreffende onderdelen beoordelen.

Heeft de minister terecht gesteld dat eisers identiteit (minderjarigheid) ongeloofwaardig is?

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn identiteit niet heeft onderbouwd met documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval. De minister heeft daar een aantal redenen voor gegeven die eiser betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder.

De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel 7

7.1.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet is uitgegaan van zijn minderjarigheid. Volgens eiser is het aan de minister om de minderjarigheid te weerleggen en heeft het uitblijven van het leeftijdsonderzoek hem de mogelijkheid ontnomen om zijn leeftijd nader te onderbouwen. Ook voert hij aan dat de minister niet kan terugkomen op zijn eerdere toezegging van 12 november 2024 om vooralsnog van zijn minderjarigheid uit te gaan. Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet zonder meer mag uitgaan van eisers leeftijdsregistratie in Spanje en daaraan een te zwaar gewicht heeft toegekend. Verder voert eiser aan dat het onderzoeksrapport van Bureau Documenten onvoldoende objectief, inzichtelijk en zorgvuldig is. Volgens eiser blijkt onvoldoende welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt en blijkt uit de vergewisbrief niet waarvan de minister zich heeft vergewist. Daarnaast staat in het rapport ook een opmerking over een paspoort, terwijl deze niet is overgelegd. Tot slot voert eiser aan dat het feit dat hij al vóór zijn vertrek naar Europa de artiestennaam ‘ [naam] ’ gebruikte zijn gestelde leeftijd ondersteunt.

7.2.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de minderjarige leeftijd van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank stelt vast dat nadat twijfel was ontstaan over de door eiser opgegeven leeftijd, de minister nader onderzoek heeft gedaan door informatie op te vragen bij de Spaanse autoriteiten. Uit deze informatie volgt dat eiser daar bij een leeftijdsregistratie als meerderjarig is geregistreerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij doorslaggevend gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Spanje. De rechtbank licht dit toe.

7.3.

In de eerste plaats heeft eiser geen authentieke documenten overgelegd die zijn identiteit aantonen. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de door eiser overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. De rechtbank is van oordeel dat de minister van deze conclusie mag uitgaan. Een onderzoeksrapport van Bureau Documenten wordt aangemerkt als een deskundigenbericht.8 Daar komt bij dat de minister zich van het onderzoek heeft vergewist, eiser geen contra-expertise heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan (de conclusie van) het onderzoek. Verder hoeft de minister volgens de rechtbank niet in detail toe te lichten welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt. Het openbaar maken van deze details kan het onderzoeksproces namelijk schaden en de precieze totstandkoming van de conclusies wordt met goede redenen, zoals ook aangegeven in de vakbijlage, niet gedeeld. 9 De enkele omstandigheid dat in dit rapport ook een opmerking is gemaakt over een paspoort, terwijl dit paspoort niet is overgelegd, maakt niet dat de minister niet van de conclusie van het rapport mocht uitgaan. De rechtbank deelt dan ook het standpunt van de minister dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt.

7.4.

De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank ook deugdelijk gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de (meerderjarige) leeftijdsregistratie van eiser in Spanje. De minister stelt terecht dat het aan eiser is om deze leeftijdsregistratie te corrigeren. De minister acht de enkele niet onderbouwde verklaring van eiser, dat de Spaanse autoriteiten zijn geboortedatum bewust onjuist hebben genoteerd, terecht onvoldoende. De minister heeft bij de beoordeling van de gestelde leeftijd ook terecht geen betekenis toegekend aan eisers artiestennaam ‘ [naam] ’. Het betoog van eiser ter zitting dat de minister niet overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft gehandeld deelt de rechtbank niet. De minister heeft vanwege de twijfels over eisers leeftijd onderzoek gedaan door aan Spanje informatie op te vragen over eisers leeftijd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat eiser in Spanje op basis van zijn eigen verklaringen is geregistreerd met zijn naam en geboortedatum van [geboortedag] 2003. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom aan die leeftijdsregistratie doorslaggevend gewicht wordt toegekend. 10

7.5.

De rechtbank is verder van oordeel dat de brief van de minister van 12 november 2024 niet tot een ander oordeel leidt. Dat de minister daarin heeft aangegeven vooralsnog van de minderjarige leeftijd van eiser uit te gaan, betekent niet dat zijn leeftijd daarmee definitief was vastgesteld. De geloofwaardigheidsbeoordeling had op dat moment namelijk nog niet plaatsgevonden. Bovendien heeft eiser de mogelijkheid gehad om te reageren op de definitieve vaststelling van zijn leeftijd.

Eiser kan niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd 11

7.6.

Eiser voert aan dat de minister de onjuiste geboortedatum en het oordeel van Bureau Documenten over de geboorteakte zowel bij artikel 31, zesde lid, onder c, als onder e, van de Vw 2000 als onderbouwing heeft gehanteerd en dat dat in strijd is met het Unierecht. De minister heeft volgens eiser niet inzichtelijk gemaakt dat het oordeel over de geboorteakte ook de conclusie rechtvaardigt dat eiser in algemene zin ongeloofwaardig is. Eiser voert aan dat hij voor de verkrijging van het document afhankelijk was van derden.

7.7.

De rechtbank stelt vast dat een vreemdeling in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd indien hij in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten.12 In dit geval heeft eiser een geboorteakte overgelegd die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Eiser heeft met valse documenten geprobeerd zijn identiteit te onderbouwen. Eisers betoog dat hij voor het verkrijgen van de geboorteakte afhankelijk was van derden, neemt niet weg dat de minister de overgelegde geboorteakte bij de beoordeling van de geloofwaardigheid mocht betrekken. De minister heeft eiser dan ook terecht tegengeworpen dat hij in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd. Eisers betoog dat de minister de tegenwerpingen op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, en onder e, van de Vw 2000 ten onrechte beide heeft onderbouwd met het oordeel van Bureau Documenten over de geboorteakte, deelt de rechtbank niet. De minister heeft beide tegenwerpingen van een zelfstandige en deugdelijke motivering voorzien. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat deze werkwijze in strijd is met het Unierecht.

Heeft de minister terecht gesteld dat de problemen van eiser omdat hij actief was als artiest in Gambia ongeloofwaardig zijn?

Documenten

8. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij zijn problemen als artiest niet met voldoende documenten heeft onderbouwd. Volgens eiser heeft hij wel degelijk inspanningen verricht om een deel van zijn relaas te onderbouwen door schermafbeeldingen van zijn YouTube-kanaal over te leggen. Eiser voert aan dat de minister een onrealistische bewijslast oplegt door te verlangen dat hij de daarmee samenhangende problemen onderbouwt. Eiser voert aan dat de minister bovendien miskent dat indien een vreemdeling zijn relaas niet met documenten kan onderbouwen, volgens de werkinstructie 2024/6 moet worden beoordeeld of daar een verklaring voor bestaat en of de afgelegde verklaringen geloofwaardig kunnen worden geacht. Volgens eiser is dat in strijd met het Unierecht.

8.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen te hoge bewijslast heeft gehanteerd en dat de beoordeling niet in strijd is met het Unierecht. De minister heeft de werkinstructie 2024/6 namelijk niet zodanig toegepast dat van eiser wordt verlangd dat hij ieder onderdeel van zijn asielrelaas met objectieve documenten kan onderbouwen. In dit geval gaat het om de beoordeling van de verklaringen van eiser dat hij vanwege het zijn van een artiest problemen heeft ondervonden. De minister heeft terecht vastgesteld dat eiser in het geheel geen documenten heeft overgelegd waaruit de door hem gestelde problemen blijken. De minister heeft ook terecht gesteld dat eiser met het overleggen van de schermafbeeldingen weliswaar heeft laten zien artiest te zijn, maar niet dat hij daardoor ook problemen heeft ondervonden. De minister heeft daarom vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is, maar dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.13 De minister heeft daar een aantal redenen voor gegeven die eiser betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder.

Het YouTube-kanaal van eiser is niet van dusdanige grootte dat mensen hem specifiek zouden herkennen en aanspreken

8.2.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte doorslaggevende betekenis toekent aan het aantal views en abonnees op zijn YouTube-kanaal. Volgens eiser zegt dit niets over zijn lokale bekendheid binnen een kleine gemeenschap. Bovendien wordt zijn muziek ook niet via andere kanalen verspreid. Daarnaast voert eiser aan dat het voor de geloofwaardigheid niet is vereist dat hij een bekende artiest was.

8.3.

De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als artiest zodanig bekend was dat hij door voor hem onbekende personen op straat werd herkend en aangesproken. 14 Het YouTube-kanaal van eiser heeft 70 abonnees en de vier daarop uitgebrachte video’s hadden tussen de 100 en 470 views, terwijl eiser afkomstig is uit een plaats met ongeveer 4000 inwoners. Daarnaast heeft eiser ook niet verklaard op welke andere kanalen zijn muziek te beluisteren is of hoe groot zijn bekendheid daardoor was. Het standpunt van de minister is niet dat eisers verklaringen niet geloofwaardig zijn omdat hij niet bekend is, maar dat eisers verklaringen over het op straat worden herkend niet aansluiten bij de aantallen op zijn YouTube-kanaal.

Eiser verklaart tegenstrijdig over op welke plek de politie hem aansprak op zijn muziek

8.4.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat sprake is van tegenstrijdigheden. Volgens eiser heeft hij meerdere keren en op verschillende momenten contact gehad met de politie. Dat hij tijdens het gehoor op een bepaalde vraag drie contactmomenten heeft genoemd, betekent volgens hem niet dat er geen andere contactmomenten zijn geweest. Ook heeft hij het woord ‘studio’ in ruimere betekenis gebruikt, namelijk als verzamelterm voor muziekactiviteiten. Volgens eiser miskent de minister de functie van correcties en aanvullingen, die juist bedoeld zijn om misverstanden op te helderen.

8.5.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de plek waar de politie hem aansprak over zijn muziek. Zo heeft eiser eerst verklaard dat de politie hem steeds in zijn studio waarschuwde over zijn muziek.15 Later heeft eiser verklaard dat hij tijdens het freestylen op straat werd aangesproken en dat de politie toevallig langskwam.16 Toen dit aan eiser werd voorgehouden, heeft hij verklaard dat hij met freestylen ‘studio’ bedoelde.17 De minister stelt terecht dat deze uitleg niet aannemelijk is, omdat eiser zelf heeft verklaard dat hij in een studio muziek opnam en het verschil weet tussen een studio en freestylen.18 Dat eiser in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij niet in de studio maar tijdens het freestylen werd aangesproken, neemt de tegenstrijdigheid dan ook niet weg. Daar komt bij dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij drie keer door de politie is aangesproken, namelijk één keer bij de rivier en de andere keren op straat.

De verklaringen dat er geen muziek gemaakt mag worden in de gemeenschap zijn ongerijmd

8.6.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen over het maken van muziek tegenstrijdig zijn, omdat deze te letterlijk en onvoldoende in hun context worden gelezen. Met zijn verklaring dat ‘niemand muziek maakt’ en dat ‘muziek maken niet mag’, heeft eiser de sociale norm en afkeuring binnen zijn gemeenschap willen beschrijven. Dat eiser ook met andere artiesten kon optreden is daarmee niet onverenigbaar.

8.7.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat de verklaringen van eiser over het maken van muziek ongerijmd zijn. Eiser heeft verklaard dat in Gambia een cultuur bestaat dat er geen muziek gemaakt mag worden, en dat hij de enige is die dat doet.19 Tegelijkertijd heeft eiser verklaard dat hij weleens optrad op een podium waar verschillende artiesten optraden.20 De minister stelt terecht dat deze verklaringen niet met elkaar te rijmen zijn.

De verklaringen waarom en door wie eiser werd aangesproken en geslagen zijn vaag en summier

8.8.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende langere tijd is lastiggevallen, bedreigd en mishandeld vanwege zijn muziek. Volgens eiser moeten zijn verklaringen in de sociale en culturele context waarin de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld worden beoordeeld. In zijn omgeving kan een enkele uitlating in een muziektekst, in combinatie met een afwijkende kledingstijl en zichtbare positie als artiest tot negatieve reacties leiden uit de gemeenschap. Hij voert aan dat niet van hem kan worden verwacht aan te tonen welke muziektekst heeft gezorgd voor negatieve reacties, exacte aantallen incidenten te noemen, alle betrokkenen te kunnen identificeren en gedetailleerd over elk voorval te verklaren. Volgens eiser stelt de minister te hoge eisen aan zijn bewijspositie.

8.9.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser waarom en door wie hij werd aangesproken en geslagen vaag en summier zijn. Eiser heeft verklaard mensen in zijn dorp te hebben beledigd door in een muziektekst te hebben gezegd dat hij een ‘oustass’ is en dat zij dit hebben gemeld bij de politie.21 Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waarom dit ertoe heeft geleid dat hij gedurende een jaar werd lastiggevallen. De enkele stelling dat zij dit zouden doen omdat eiser dingen anders doet, is onvoldoende.22 Bovendien heeft hij ook verklaard in andere muziekteksten jongeren juist te motiveren en verder niets benoemd over religie.23 Verder kan eiser niet aangeven wie hem precies heeft aangesproken, hoe vaak hij is aangesproken en hoe vaak hij is geslagen.24 Van eiser wordt niet verwacht dat hij alles in detail kan verklaren, maar wel hoe vaak hij ongeveer is aangesproken en geslagen.

Conclusie

8.10.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de problemen van eiser als artiest ongeloofwaardig zijn.

Heeft de minister terecht gesteld dat de brandstichting niet geloofwaardig is?

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zijn verklaringen over de brandstichting niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval. De minister heeft daar een aantal redenen voor gegeven die eiser betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder.

Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring 25

9.1.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat van hem verwacht mag worden dat hij berichten van lokale media over de brandstichting overlegt. Volgens eiser staat niet vast dat dergelijke berichten bestaan. Dat binnen de gemeenschap veel over de brandstichting is gesproken, betekent niet dat hierover ook door de lokale media is bericht. Eiser voert aan dat de minister niet heeft onderbouwd dat dit soort lokale incidenten worden geregistreerd of gepubliceerd. Uit het feit dat eiser niet over dat soort documenten beschikt, kan volgens hem niet de conclusie worden getrokken dat hij onvoldoende inspanningen heeft verricht om daaraan te komen. Volgens eiser draait de minister de bewijslast ten onrechte om.

9.2.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser geen documenten heeft overgelegd die de gestelde brandstichting onderbouwen, en daarvoor geen goede reden heeft. Het is aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen met alle soorten relevante documenten. Dat betekent dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om na te gaan of dergelijke mediaberichten bestaan. Bovendien heeft eiser verklaard dat niet alleen de werkplaats, maar ook het gebouw ernaast in brand is gevlogen.26 In dat licht mocht de minister van eiser verwachten dat hij zich zou inspannen om na te gaan of er documenten of andere informatie beschikbaar zijn die deze brand kunnen ondersteunen. De enkele verklaring dat eiser niet weet of de brand in het nieuws of in de krant is gekomen, is onvoldoende.27

De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel 28

9.3.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het ontstaan van de brand. Volgens eiser is de kern van zijn verklaringen steeds hetzelfde gebleven, namelijk dat hij bezig was met het aansluiten dan wel activeren van een apparaat, waarna kortsluiting ontstond en brand uitbrak. Dat hij dit niet telkens met exact dezelfde technische bewoordingen heeft beschreven, betekent volgens eiser niet dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen. Daar komt volgens eiser bij dat deze verklaringen met een tolk zijn afgelegd.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de brandstichting. Enerzijds heeft eiser verklaard dat de explosie in de workshop is ontstaan, omdat hij twee draden van het apparaat in de stekker stopte.29 Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij de twee draden al in het stopcontact had gestopt en pas op het moment dat het apparaat aan ging, een explosie ontstond, waarbij hij niet in de buurt stond.30 De minister stelt terecht dat het niet gaat om enkele details, maar om een volledig ander verloop van de gebeurtenis. Dat de verklaringen met behulp van een tolk zijn afgelegd, maakt dit niet anders. Indien sprake was van een vertaalprobleem had het op de weg van eiser gelegen dit in de correcties en aanvullingen naar voren te brengen.

De verklaringen van eiser over dat mensen weten dat hij de brand heeft gesticht zijn ongerijmd

9.5.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen over zijn verantwoordelijkheid voor de brand ongerijmd zijn. Volgens eiser gaat het om de vraag of het plausibel is dat hij binnen zijn gemeenschap als verantwoordelijk voor de brand werd aangewezen. Volgens eiser is het niet onaannemelijk dat omstanders hem in verband hebben gebracht met de brand, omdat hij kort daarvoor bij de werkplaats aanwezig was en de man met wie hij was buiten stond. Juist in een situatie van chaos kunnen vermoedens ontstaan die later als waarheid worden aangenomen. Volgens eiser is het een te hoge bewijslast als objectief moet worden vastgesteld dat hij verantwoordelijk was voor de brand.

9.6.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe mensen weten dat eiser de veroorzaker van de brand zou zijn. Eiser heeft verklaard dat meerdere personen op de werkplaats aanwezig waren. 31 Ook heeft hij verklaard dat na het ontstaan van de brand sprake was van een grote chaos. 32 Tegen deze achtergrond heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat omstanders specifiek eiser als veroorzaker van de brand zagen. Van eiser wordt daarbij niet verlangd dat hij bewijst dat hij verantwoordelijk is voor de brand, maar wel dat hij aannemelijk maakt waarom mensen hem verantwoordelijk achten. Daar is eiser niet in geslaagd.

Conclusie

9.7

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de brandstichting van eiser ongeloofwaardig is.

Heeft eiser bij terugkeer naar Gambia te vrezen voor vervolging vanwege een (toegedichte) politieke of religieuze overtuiging?

10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende ingaat op zijn vrees voor vervolging vanwege een politieke en religieuze overtuiging. Volgens eiser staat niet vast dat hij deze overtuiging daadwerkelijk heeft geuit, maar kan dit binnen zijn gemeenschap wel zo worden opgevat. Eiser voert aan dat zijn muziek, optredens, kledingstijl en gedrag gezien worden als afwijkend. De reacties daarop vanuit zijn gemeenschap kunnen verband houden met een dergelijke overtuiging.

10.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, zoals hiervoor onder 8.10 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde problemen als gevolg van het zijn van artiest ongeloofwaardig zijn. De minister heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om op grond daarvan een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister stelt verder terecht dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij in het verleden te maken heeft gehad met vervolging vanwege (toegedichte) politieke of religieuze overtuiging of dat hij het risico loopt dat hij daar in de toekomst mee te maken zal krijgen. Eisers betoog dat zijn muziek, kledingstijl en gedragingen binnen zijn gemeenschap als afwijkend worden beschouwd, brengt daarin geen verandering.

Heeft de minister de asielaanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard?

11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat geen sprake is van misleiding. Volgens eiser heeft hij niet bewust onjuiste informatie verstrekt of documenten gebruikt om de autoriteiten te misleiden. Hij voert aan dat hij afhankelijk was van derden om bijvoorbeeld aan zijn geboorteakte te komen en daarom niet wist dat deze hoogstwaarschijnlijk niet echt was. Eiser voert verder aan dat zijn opgegeven geboortedatum juist is en dat hij ook daar geen onjuiste informatie over heeft verstrekt.

11.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Het gaat er bij dat artikel volgens de rechtbank om dat eiser probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden.33 Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Nu de minister, zoals onder 7.2 is overwogen, terecht de minderjarigheid van eiser ongeloofwaardig heeft geacht mocht de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren. Dat eiser niet wist dat de geboorteakte niet echt was, maakt dit niet anders.

Had de minister eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM?

12. Eiser voert aan dat de minister hem op grond van artikel 8 van het EVRM een reguliere vergunning had moeten verlenen. Volgens eiser heeft hij gedurende zijn verblijf in Nederland onderwijs gevolgd, aan zijn persoonlijke ontwikkeling en toekomstperspectief gewerkt en zich beziggehouden met zijn muzikale activiteiten. Deze omstandigheden maken volgens eiser onderdeel uit van zijn privéleven, persoonlijke ontwikkeling en identiteitsvorming. Daar komt volgens eiser bij dat hij op jonge leeftijd in Nederland is aangekomen en een belangrijk deel van zijn ontwikkeling hier heeft doorgemaakt. Volgens eiser had de minister daarom een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moeten maken.

12.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in eisers geval geen sprake is van (beschermwaardig) privéleven. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze met documenten of een nadere toelichting onderbouwd dat daarvan sprake is. De enkele stelling van eiser dat hij op jonge leeftijd naar Nederland is gekomen, in Nederland onderwijs heeft gevolgd en hier een ontwikkeling in zijn muziekcarrière heeft gemaakt, is daarvoor onvoldoende. Omdat de minister geen privéleven heeft hoeven aannemen in eisers geval, heeft hij ook geen belangenafweging hoeven maken.

Had de minister eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen?

13. Eiser voert aan dat hij minderjarig is en daarom in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Volgens eiser is zijn leeftijd nog altijd in geschil en kan de minister niet volstaan met de enkele verwijzing naar zijn conclusie dat eisers minderjarigheid ongeloofwaardig is. Daar komt volgens eiser bij dat de minister geen objectief leeftijdsonderzoek heeft uitgevoerd.

13.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, zoals onder 7.2 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de minderjarigheid van eiser ongeloofwaardig is. Hieruit volgt dat eiser niet minderjarig, maar meerderjarig was toen hij zijn asielaanvraag indiende. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Heeft de minister terecht een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod opgelegd?

14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod heeft opgelegd. Volgens eiser is zijn leeftijd nog altijd in geschil en kon de minister daarom niet volstaan met een verwijzing naar zijn conclusie dat eisers minderjarigheid ongeloofwaardig is. Eiser voert aan dat de minister had moeten beoordelen of een terugkeerbesluit in overeenstemming is met de belangen van het kind. Ook heeft de minister niet kenbaar onderzocht of er adequate opvang beschikbaar is en of eiser toegang heeft tot de zorg in zijn land van herkomst. Daarnaast voert eiser aan dat de minister een belangenafweging had moeten maken voordat ook een inreisverbod opgelegd kon worden, omdat volgens eiser sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

14.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn heeft opgelegd. De minister heeft, zoals onder 11.1 is overwogen, de asielaanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. De minister mocht daarom afzien van de vertrektermijn.34 Dat rekening had moeten worden gehouden met de belangen van het kind volgt de rechtbank, gelet op 7.2, ook niet. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM verwijst de rechtbank terug naar wat onder 12.1 is overwogen.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »