ECLI:NL:RBDHA:2026:30181

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.27322 en NL26.27323
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

AA Marokko. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.27322 (beroep)

NL26.27323 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (eiser)

geboren op [geboortedatum] 1990, van Marokkaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. O. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. El Haji als tolk in de taal Arabisch (Marokkaans) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij in 2015 werkzaam was in de handel. Eiser kocht spullen in Casablanca en verkocht ze door. Eiser gaf bankcheques als garantie om spullen te krijgen, hij deed dit samen met een partner. Deze partner zou drugs naar Spanje transporteren voor de maffia en eiser stond hiervoor mede garant. Deze partner heeft zich vervolgens niet aan de afspraak gehouden, de drugs in Marokko verkocht en is weggegaan met het geld. Deze partner zei dat zij het land moesten verlaten, omdat ze gezocht werden door de bende. In 2016 hebben zij Marokko verlaten. Hierdoor heeft eiser zijn cheques niet terug kunnen betalen en heeft eiser een schuld van € 15.000,-. Na vertrek uit Marokko hoorde eiser dat hij 10 jaar gevangenisstraf heeft gekregen voor mensensmokkel. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser de celstraf te moeten uitzitten en te worden gedood door de maffia.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. schulden;

3. verdenking van mensensmokkel en drugshandel in Marokko.

4.1.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Van het tweede en derde asielmotief heeft de minister de geloofwaardigheid in het midden gelaten. Deze asielmotieven kunnen volgen de minister namelijk niet leiden tot het verlenen van een asielvergunning. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.2 Daarnaast is een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd.

Toetsingskader

5. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de Afdeling3 geoordeeld dat, wanneer de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, bij de rechterlijke toetsing ervan moet worden uitgegaan dat de minister de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen.4

Loopt eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade?

6. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.5 Daarbij wijst hij op de detentieomstandigheden in Marokko en zijn vrees om vermoord te worden door criminele netwerken waartegen in Marokko geen effectieve bescherming beschikbaar is.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn vrees voor de maffia bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan eiser stelt heeft de minister terecht meegewogen dat eiser al negen jaar niets meer heeft gehoord van de maffia. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om bescherming te krijgen van de Marokkaanse autoriteiten. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser geen actie heeft ondernomen om bescherming te vragen bij de Marokkaanse autoriteiten.6 Eiser wil niets met de autoriteiten te maken hebben.7 Dat eiser veroordeeld is tot een gevangenisstraf maakt dit niet anders, aangezien een straf niet maakt dat eiser niet de bescherming kan krijgen van de Marokkaanse autoriteiten ten aanzien van de maffia.

6.2.

De rechtbank is verder van oordeel, ervan uitgaande dat eiser veroordeeld is tot 10 jaar gevangenisstraf, dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de detentieomstandigheden in Marokko in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. Uit het door eiser overgelegde ‘Morocco 2023 Human Rights Report’8 volgt niet dat de detentieomstandigheden dermate slecht zijn dat er standaard sprake is van strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft daarbij ook gewezen op het eerder geldende veilige landen beleid, maar dit is door de minister niet aan eiser tegengeworpen en ook niet meer geldig. Gelet daarop gaat de rechtbank niet in op het argument van eiser.

6.3.

Concluderend heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Kennelijk ongegrond

7. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser heeft op de zitting zijn beroepsgrond gewijzigd in die zin dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j en h, van de Vw 2000. Eiser heeft niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dit mogelijk was. Daarnaast is eiser voor verschillende misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf. De minister heeft voldoende en deugdelijk gemotiveerd dat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde vormt.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

8. Tot slot heeft eiser de beroepsgronden over het terugkeerbesluit en het inreisverbod op zitting gewijzigd, in die zin dat een terugkeerbesluit en een inreisverbod niet aan de orde kunnen zijn omdat aan eiser een asielvergunning verleend dient te worden.

8.1.

De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat de minister de aanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hieruit volgt dat aan eiser een terugkeerbesluit9 en een inreisverbod10 voor de duur van twee jaar opgelegd konden worden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt en het terugkeerbesluit en inreisverbod in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

10. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.27322:

- verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.27323:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »