RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.1 Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres zorgvuldig beoordeeld en de door eiseres gestelde problemen met haar ex-partner terecht ongeloofwaardig geacht. Eiseres heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft de aanvraag daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard. Het bestreden besluit bevat echter wel een motiveringsgebrek, waardoor de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met de redenen waarom eiseres een asielaanvraag heeft ingediend onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind, onder 15, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.27544, op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
De rechtbank heeft de zaak van eiseres gelijktijdig met de zaak van haar partner (NL26.27545) op de zitting behandeld, maar de zaken zijn niet gevoegd behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026 en verwijzing naar regelgeving betreft dus regelgeving zoals die luidde vóór die datum.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij de Oezbeekse nationaliteit heeft en afkomstig is uit Oezbekistan. Eiseres heeft verklaard dat zij tussen 2009 en 2014 een relatie heeft gehad met [ex-partner] . Volgens eiseres werd deze relatie gekenmerkt door fysiek en psychisch geweld. Zij heeft verklaard dat zij onder druk van haar ouders in 2013 met [ex-partner] is verloofd, maar dat zij vanwege de problemen met hem naar het buitenland is vertrokken. Volgens eiseres is [ex-partner] haar gevolgd naar Turkije, Rusland en Oezbekistan. Nadat eiseres naar Nederland is gekomen, zou [ex-partner] ook haar vader hebben bedreigd. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer naar Oezbekistan door haar ex-partner zal worden vermoord
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
Problemen met haar ex-partner.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen met de ex-partner acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiseres deze problemen niet voldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft zij hier geen goede verklaring voor gegeven. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel, zodat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarbij heeft de minister eiseres onder meer tegengeworpen dat zij wisselend heeft verklaard over de aangiftes tegen haar ex-partner, weinig concreet heeft verklaard over de relatie en de gestelde mishandelingen en summier heeft verklaard over de gestelde achtervolgingen door haar ex-partner. Ook heeft de minister betrokken dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zij Oezbekistan heeft verlaten vanwege uithuwelijking en het niet kunnen werken en daarbij geen melding heeft gemaakt van de problemen met haar ex-partner.
De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres haar asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. Eiseres is op 25 januari 2021 Nederland ingereisd en heeft pas op 6 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Volgens de minister heeft eiseres hiervoor geen verschoonbare reden gegeven, zodat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw 2000. Tot slot acht de minister eiseres in grote lijnen niet geloofwaardig, zodat ook niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e van de Vw 2000.
Uitsluitend de identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. Eiseres heeft volgens de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor bij terugkeer naar Oezbekistan een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat eiseres volgens de minister kennelijk inconsequente, tegenstrijdige en valse verklaringen heeft afgelegd en haar asielaanvraag niet onmiddellijk heeft ingediend, terwijl zij al meerdere jaren in Nederland verbleef heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.2
Heeft de minister het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
Had de minister de asielaanvragen gezamenlijk moeten behandelen?
6. Eiseres voert aan dat haar asielaanvraag en die van haar partner gezamenlijk hadden moeten worden beoordeeld, omdat de asielrelazen nauw met elkaar samenhangen. Zij wijst daarbij op hun gezamenlijke achtergrond, hun sjiitische geloof, hun huwelijk en de omstandigheden waaronder zij Oezbekistan hebben verlaten. Volgens eiseres ondersteunen hun verklaringen elkaar en zijn deze verklaringen volgens de correcties en aanvullingen onderling consistent. Verder verwijst eiseres naar de besluitvorming, waarin de minister ook naar de procedure van haar partner heeft verwezen. Daarom had volgens eiseres een integrale beoordeling moeten plaatsvinden van zowel de individuele omstandigheden als de gezamenlijke situatie.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het asielrelaas van eiseres staat los van dat van haar partner die stelt uit Oezbekistan te zijn vertrokken vanwege problemen met de autoriteiten vanwege zijn religie en problemen met zijn ex-vrouw vanwege alimentatie voor zijn kinderen. Dat beiden uit Oezbekistan komen en het sjiitisch geloof aanhangen maakt dit, anders dan eiseres stelt, niet anders nu dit niet zonder meer maakt dat de asielrelazen in elkaar grijpen en elkaar versterken. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres op zijn eigen individuele merites beoordeeld. Dat de rechtsgevolgen van de besluiten van eiseres en haar partner op elkaar zijn afgestemd maakt dit niet anders. Dit ziet immers niet op de inhoud van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres vanwege de gestelde samenhang met de aanvraag van haar partner niet zorgvuldig heeft kunnen beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het gehoor zorgvuldig verlopen?
7. Eiseres betoogt dat voorafgaand aan het nader gehoor spanningen zijn ontstaan rondom de tolksituatie. Daar komt bij dat haar vader kort voor het nader gehoor is overleden. Volgens eiseres had de minister deze omstandigheden bij de beoordeling van eventuele onduidelijkheden of inconsistenties moeten betrekken.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het gehoor van eiseres niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van gehoor blijkt dat het gehoor later is aangevangen dan gepland, omdat eiseres en haar partner hadden aangegeven niet door een van de aanwezige tolken getolkt te willen worden.3 Naar aanleiding daarvan is met beide tolken en eiseres en haar partner gesproken. Vervolgens is in onderling overleg besloten dat eiseres met behulp van de andere tolk zou worden gehoord en dat haar partner met de aanvankelijk voor hem voorziene tolk zou worden gehoord.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de ontstane situatie van invloed is geweest op de zorgvuldigheid van het gehoor van eiseres. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor het oordeel dat de tolk die eiseres heeft gehoord niet deskundig was of zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht. De enkele omstandigheid dat voorafgaand aan het gehoor onduidelijkheid is ontstaan over de inzet van de tolken, is daarvoor onvoldoende. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres tijdens het nader gehoor meermaals heeft aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan.4 Ook heeft eiseres tijdens het gehoor aangegeven zich goed te voelen en dat er geen zaken zijn waar rekening mee hoeft te worden gehouden tijdens het gehoor.5 Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid.
Heeft de minister een toereikende geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?
Arrest Ebilum
8. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. De rechtbank beoordeelt daarom zelfstandig of de verklaringen van eiser geloofwaardig zijn en zal daarbij niet langer de terughoudende maatstaf hanteren of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op zijn standpunt heeft gesteld.
Is Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd met het Unierecht?
9. Eiseres voert aan dat de minister een te strenge geloofwaardigheidsmaatstaf heeft toegepast. Volgens eiseres legt de minister te veel nadruk op het ontbreken van documenten, vermeende inconsistenties en detailverschillen en is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling mogelijk in strijd met het Unierecht. Daarbij verwijst eiseres naar de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, over de verenigbaarheid van de gewijzigde geloofwaardigheidsbeoordeling met het Unierecht.6
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid WI 2024/6 heeft toegepast. De rechtbank stelt vast dat de minister daarbij niet alleen heeft gekeken naar het ontbreken van documenten, inconsistenties en detailverschillen, maar een integrale beoordeling heeft gemaakt. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025.7 Daarin is geoordeeld dat WI 2024/6, zoals de minister deze toepast, niet in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. De minister hoefde daarom de beantwoording van de prejudiciële vragen niet af te wachten.
Onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring
(voorwaarde b)
10. Eiseres betoogt dat de minister haar verklaringen over de problemen met haar ex-partner ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de context van relationeel geweld en haar kwetsbare positie als vrouw in Oezbekistan. Zij voert aan dat relationeel geweld zich vaak binnen de privésfeer afspeelt en daarom moeilijk met documenten kan worden onderbouwd.10.1. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister uitsluitend betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van documenten. De minister heeft in het bestreden besluit onderkend dat relationeel geweld moeilijk met documenten kan worden bewezen, maar dit betekent niet dat het ontbreken van documenten geen rol mag spelen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. De minister heeft erop gewezen dat eiseres heeft verklaard dat zij in de periode van 2009 tot 2019 is bedreigd door haar ex-partner en dat hij haar is gevolgd naar Rusland, Turkije en terug naar Oezbekistan. Van eiseres mag verwacht worden dat zij enige documenten overlegt die deze bedreigingen onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Het door eiseres overgelegde filmpje van de uitvaart van haar vader biedt geen concrete ondersteuning voor haar verklaring dat haar vader door haar ex-partner is bedreigd of voor een verband tussen de gestelde problemen en het overlijden van haar vader. De enkele stelling dat relationeel geweld zich vaak in de privésfeer afspeelt is voor het ontbreken van documenten, gelet op de lange duur van de gestelde problemen, onvoldoende verklaring. Bovendien heeft de minister het ontbreken van documenten beoordeeld in samenhang met de door haar afgelegde verklaringen en heeft hij eiseres terecht tegengeworpen dat zij oppervlakkig en summier heeft verklaard over de bedreigingen en achtervolging door haar ex-partner. Dit licht de rechtbank hieronder nader toe. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
11. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Volgens eiseres kunnen langdurige stress, psychische belasting en de aard van de gebeurtenissen verklaren waarom zij niet over alle details consistent heeft verklaard. De verschillen in haar verklaringen zien volgens eiseres vooral op details en niet op de kern van haar relaas. Eiseres voert daarnaast aan dat zij in de kern steeds consistent heeft verklaard over de mishandelingen, bedreigingen en de angst voor haar ex-partner. Verder blijkt uit internationale bronnen8 dat huiselijk geweld in Oezbekistan nog steeds een ernstig probleem vormt en dat effectieve rechtsbescherming door de autoriteiten in de praktijk beperkt kan zijn.
De rechtbank is van oordeel dat niet alle tegenwerpingen van de minister over de beoordeling van de geloofwaardigheid kunnen standhouden.
De rechtbank volgt de minister niet in de tegenwerping dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de aangiftes tegen haar ex-partner. Uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij heeft verklaard dat zij mondeling aangifte heeft gedaan, waarna daarvan een proces-verbaal is opgemaakt en de aangifte op naam van haar vader is geregistreerd. Dat eiseres later heeft verklaard dat zij in 2013 of 2014 zelf naar de politie is gegaan en dat zij daar niet serieus is genomen, maakt deze verklaringen niet zonder meer tegenstrijdig. Immers uit de eerdere verklaring van eiseres blijkt enkel dat de aangifte op haar vaders naam is geregistreerd maar niet dat hij daarbij ook aanwezig was. De latere verklaring dat zij überhaupt geen aangifte heeft gedaan is wel tegenstrijdig met haar eerdere verklaring. Deze verklaring corrigeert zij echter na navraag en stelt ze dat ze inderdaad eerder aangifte heeft gedaan maar dat de politie haar ex-partner alleen kon waarschuwen. 9 Dit punt kan daarom niet aan eiseres worden tegengeworpen.
Ook de tegenwerping dat eiseres wisselend heeft verklaard over het moment waarop haar ouders van haar relatie met haar ex-partner wisten, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft aanvankelijk verklaard dat haar ouders op een verjaardag van haar relatie wisten. Nadat haar was gevraagd welke verjaardag zij bedoelde, heeft zij de jaren 2010 tot en met 2013 genoemd. Vervolgens is haar meer specifiek gevraagd wanneer haar ouders precies wisten dat zij een relatie had. Daarop heeft zij 2012 genoemd.10 De rechtbank ziet in deze verklaringen geen tegenstrijdigheid. Dat eiseres meerdere verjaardagen heeft genoemd waarop zij met haar ouders over de relatie heeft gesproken, betekent niet dat zij daarmee verschillende momenten heeft genoemd waarop haar ouders van de relatie op de hoogte raakten. Deze tegenwerping kan daarom niet aan eiseres worden tegengeworpen.
Verder kan aan eiseres niet worden tegengeworpen dat zij de gestelde problemen met haar ex-partner niet tijdens het aanmeldgehoor naar voren heeft gebracht bij de vraag waarom zij Oezbekistan heeft verlaten. Uit artikel 3.108, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgt namelijk dat bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven niet worden betrokken.
Wel volgt de rechtbank de minister in zijn tegenwerping dat eiseres weinig heeft verklaard over de relatie met haar ex-partner. Zo moet ze lang nadenken als wordt gevraagd wat de achternaam is van haar ex-partner.11 Ook heeft ze summier en oppervlakkig verklaard over de bedreigingen en achtervolgingen. Eiseres heeft verklaard dat zij gedurende een lange periode fysiek en psychisch is mishandeld en bedreigd en dat haar ex-partner haar naar verschillende landen heeft gevolgd. Zij heeft daarover echter onvoldoende concrete voorbeelden, jaartallen en situaties beschreven. Zo is het onduidelijk wanneer, hoe en op welke manier ze is bedreigd door haar ex-partner. Ook heeft zij onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe haar ex-partner haar locaties wist te achterhalen en haar naar verschillende landen kon volgen. De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar betoog dat de verschillen en de summiere aard van haar verklaringen kunnen worden verklaard door het langdurige karakter van de gebeurtenissen en haar psychische belasting. De minister heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Deze omstandigheden nemen echter niet weg dat van eiseres, gelet op de aard en duur van de door haar gestelde problemen, mocht worden verwacht dat zij daarover voldoende concreet en consistent kon verklaren.
Ook heeft de minister haar terecht tegengeworpen dat ze wisselend heeft verklaard over de bedreiging van haar vader door haar ex-partner. Eiseres verklaart hierover dat haar vader twee jaar geleden is bedreigd en als gevolg hiervan in het ziekenhuis belandde door de stress. Eerder heeft zij echter verklaard dat haar vader al vijf jaar ziek was en is overleden als gevolg van deze ziekte.12 De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat zij in de kern consistent heeft verklaard over de bedreigingen en angst voor haar ex-partner. Anders dan eiseres stelt zien deze tegenwerpingen ook niet enkel op details en tijdsaanduidingen. Deze tegenwerpingen zien immers op de kern van het relaas, de bedreigingen door haar ex-partner.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de door eiseres aangevoerde algemene informatie13 over de positie van vrouwen in Oezbekistan en de omstandigheid dat relationeel geweld zich in de privésfeer kan afspelen. De minister heeft op zitting echter terecht gesteld dat deze informatie niet kan dienen als concrete onderbouwing van de persoonlijke verklaringen van eiseres. De algemene informatie bevat geen concrete aanwijzingen dat eiseres zich daadwerkelijk in de daarin beschreven kwetsbare positie bevindt of dat zij persoonlijk slachtoffer is geworden van de door haar gestelde mishandelingen en bedreigingen. De landeninformatie maakt de door eiseres gestelde gebeurtenissen daarom niet alsnog aannemelijk.
Tussenconclusie
12. De rechtbank stelt vast dat de minister de verklaringen van eiseres op drie punten ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen. Dit betreft de tegenwerping over de aangiftes (onder 11.1), de gestelde tegenstrijdigheid over het moment waarop haar ouders van de relatie wisten (onder 11.2) en de verklaringen die eiseres tijdens het aanmeldgehoor over haar asielmotieven heeft afgelegd (onder 11.2). De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de minister de gestelde problemen met de ex-partner niet op alle onderdelen op de juiste gronden heeft beoordeeld. Het beroep is vanwege de drie onterechte tegenwerpingen gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
De overige hiervoor besproken bevindingen, waaronder het ontbreken van voldoende concrete verklaringen over de langdurige bedreigingen, mishandelingen en achtervolgingen en de wisselende verklaringen over de gezondheid en bedreigingen van haar vader, kunnen wel bij de beoordeling worden betrokken. De rechtbank ziet zich hierdoor voor de vraag gesteld wat de betekenis hiervan is voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Op deze vraag zal de rechtbank hierna ingaan.
Kan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?
13. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de geloofwaardigheidsbeoordeling in stand kan worden gelaten. Daarbij geldt dat de rechter volgens dit arrest een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichten14 en niet behoeft terug te verwijzen naar de minister als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in deze zaak sprake is en zal dat hierna toelichten.15
Naar het oordeel van de rechtbank maken de drie onterechte tegenwerpingen niet dat de gestelde problemen met de ex-partner alsnog geloofwaardig moeten worden geacht of dat de minister een nieuw onderzoek naar de feiten moet verrichten. De rechtbank heeft de relevante verklaringen en omstandigheden zelfstandig beoordeeld en daarbij de onjuiste tegenwerpingen buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank overweegt hiertoe dat de resterende bevindingen betrekking hebben op de kern van het door eiseres gestelde asielmotief. Immers deze tegenwerpingen zien op de inhoud van de gestelde bedreigingen en achtervolgingen. Hierover heeft eiseres summier en oppervlakkig verklaard. Dat enkele van haar verklaringen ten onrechte als tegenstrijdig zijn aangemerkt doet hier niet aan af. Daarbij komt dat eiseres geen objectieve documenten heeft overgelegd die haar verklaringen over de gestelde bedreigingen, mishandelingen en achtervolgingen ondersteunen.
Ook de omstandigheid dat eiseres haar asielaanvraag geruime tijd na haar binnenkomst in Nederland heeft ingediend, kan bij de beoordeling worden betrokken. Eiseres is op 25 januari 2021 Nederland binnengekomen en heeft eerst op 6 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft hierover verklaard dat haar verblijfsdoel in de eerste periode na aankomst het uitoefenen van haar beroep was en dat zij pas later heeft gehoord van de mogelijkheid tot het indienen van een asielaanvraag. De minister merkt terecht op dat hieruit geen urgentie voor internationale bescherming blijkt. Ook heeft de minister eiseres terecht tegengeworpen dat zij een Lets visum heeft aangevraagd om Nederland in te reizen en heeft gewacht tot de geldigheidsdatum van het visum verstreek en ook daarna nog heeft gewacht met het doen van een asielaanvraag. Deze inactieve houding doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres. Deze omstandigheden vormen niet zelfstandig de grond voor de conclusie dat haar relaas ongeloofwaardig is, maar kunnen wel in samenhang met de overige bevindingen bij de beoordeling worden betrokken.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de resterende bevindingen voldoende zijn om te concluderen dat de minister de door eiseres gestelde problemen met haar ex-partner terecht niet geloofwaardig heeft geacht.
Heeft de minister het asielrelaas terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?
14. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld of zij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met haar positie als vrouw in Oezbekistan en de beperkte mogelijkheden voor vrouwen om bescherming te verkrijgen tegen relationeel geweld. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer opnieuw geconfronteerd kan worden met haar ex-partner en dat de autoriteiten haar daartegen onvoldoende bescherming kunnen bieden. Daarnaast wijst eiseres op de gezamenlijke risico’s van haar en haar partner bij terugkeer naar Oezbekistan. Zij behoren beiden tot de sjiitische minderheid en zijn in Nederland met elkaar gehuwd. Volgens eiseres hangen hun gestelde problemen daarom met elkaar samen.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat eiseres haar gestelde problemen met haar ex-partner niet geloofwaardig heeft gemaakt. De door eiseres gestelde vrees voor haar ex-partner bij terugkeer is daarop gebaseerd. Eiseres heeft geen concrete aanwijzingen aangevoerd waaruit volgt dat zij, los van de ongeloofwaardig geachte problemen met haar ex-partner, persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. De door eiseres aangehaalde algemene informatie16 over de positie van vrouwen en de mogelijkheden om bescherming te verkrijgen tegen relationeel geweld in Oezbekistan leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres in de stelling dat deze omstandigheden bij de beoordeling van haar relaas en de gestelde vrees kunnen worden betrokken. Deze algemene informatie biedt echter geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Nu de problemen met haar ex-partner niet geloofwaardig zijn geacht, heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer vanwege deze persoon bescherming van de autoriteiten nodig heeft of dat die bescherming haar niet zal worden geboden.
Ook de door eiseres gestelde gezamenlijke risico’s leiden niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat eiseres en haar partner beiden sjiitisch zijn en in Nederland met elkaar zijn gehuwd, is onvoldoende om aan te nemen dat zij vanwege hun huwelijk of vanwege hun gezamenlijke religieuze achtergrond een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiseres heeft niet nader geconcretiseerd waarom het in Nederland aangegane huwelijk bij terugkeer naar Oezbekistan tot problemen voor haar zal leiden. Voor zover zij stelt dat haar eigen problemen en die van haar partner met elkaar samenhangen, geldt bovendien dat de door haar gestelde problemen met haar ex-partner niet geloofwaardig zijn geacht. Dit heeft de rechtbank geoordeeld in haar uitspraak van
28 september 2026 (NL26.27545). Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd worden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand,17 omdat zij oordeelt dat de overige tegenwerpingen de ongeloofwaardigheid van het asielmotief en daarmee de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres kunnen dragen. Dat betekent dat deze afwijzing in stand blijft. Ook de kennelijk ongegrondverklaring van de asielaanvraag blijft in stand. De minister heeft eiseres immers terecht tegengeworpen dat zij, zonder verschoonbare reden, niet onmiddellijk haar asielaanvraag heeft ingediend in Nederland.18
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en niet ter zitting is verschenen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 13 mei 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.