ECLI:NL:RBAMS:2026:10109

Datum uitspraak
18-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
13-192964-25 (A) en 13-340971-25 (B) en 02-259586-23 (tul)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen woninginbraak (zaak B). Niet kan worden bewezen dat verdachte te zien is op de camerabeelden. Bewezenverklaring mishandeling levensgezel (zaak A feit 1). Gedeeltelijke bewezenverklaring witwassen van een geldbedrag van 500 euro (zaak A feit 2). Ten aanzien van het overige bedrag heeft verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft hier geen nader onderzoek naar gedaan. TS 80 uren ma. Vordering BP n-o (zaak B). Vordering tul n-o. Tenuitvoerlegging reeds gelast en omgezet naar een taakstraf. Verbeurdverklaring 500 euro. Overige geldbedrag terug naar rechthebbende.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/192964-25 (A), 13/340971-25 (B, ter terechtzitting gevoegd) en 02/259586-23 (tul)

Datum uitspraak: 18 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.H. van der Zwan, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en van hetgeen mevrouw [naam 1] , medewerkster bij Slachtofferhulp Nederland, namens haar naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

telkens op 24 juni 2025 te Amsterdam:

1.

mishandeling van zijn levensgezel/echtgenote [slachtoffer 2] ;

2.

witwassen van een geldbedrag van € 5.050,-;

Zaak B

medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel van een juwelenkist (met inhoud) toebehorend aan [slachtoffer 1] op 1 februari 2025 te [plaats] .

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

Wat betreft de mishandeling van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), verdachtes levensgezel, geldt dat een medewerkster van het hotel een vrouw hoorde schreeuwen en naar de desbetreffende hotelkamer is gegaan en zag dat [slachtoffer 2] een snee in haar rechterzij had. Dit is ook waargenomen door de politie die even later ter plaatse is gekomen. [slachtoffer 2] heeft tegenover de politie verklaard dat zij door verdachte is geduwd waardoor zij tegen de hoek van een glazen tafel is gevallen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er geen glazen tafel in de hotelkamer stond en dat er enkel duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden, omdat hij de kamer wilde verlaten en [slachtoffer 2] dit niet wilde. Op de camerabeelden is echter wel een glazen tafel te zien. Ook is een harde klap hoorbaar waarna verdachte de kamer verlaat en [slachtoffer 2] ‘auw’ roept en naar haar rechterzij grijpt.

Bij de aanhouding van verdachte is vervolgens een contant geldbedrag van € 5.050,- aangetroffen. Dit is een ongebruikelijk grote hoeveelheid geld om op zak te hebben vanwege het risico op diefstal waarbij het geld niet is verzekerd. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij geld heeft gepind van zijn uitkering. Ter zitting heeft hij verklaard dat het om verzameld geld gaat; een deel heeft hij gepind van zijn uitkering en het andere deel heeft hij geleend van familieleden en een vriend. Gelet op de timing van deze verklaring is het voor het Openbaar Ministerie onmogelijk om de verklaring te kunnen verifiëren. Bovendien is niets gesteld waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met zijn verklaring had kunnen komen. Dat maakt dat het in dit geval niet langer op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om de gegeven verklaring te verifiëren. Het kan dan ook niet anders zijn dat het geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf.

Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde woninginbraak geldt dat aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aangifte heeft gedaan van diefstal van haar juwelenkist. Het meest aannemelijke scenario is dat de toegangsdeur is open geflipperd. Een getuige heeft een signalement gegeven van een man die met een smoes bij zijn voordeur stond en deze man komt volgens de getuige overeen met de man die hij later op de camerabeelden heeft gezien waarbij deze man op het laatste moment zijn gezicht richting de camera draait. Deze camerabeelden zijn ook getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht en naar aanleiding hiervan zijn er drie anonieme meldingen binnengekomen waarbij verdachte wordt herkend. Ook een verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en heeft verdachte daarop herkend.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer 2] , omdat niet kan worden vastgesteld dat de snee in haar rechterzij door verdachte is veroorzaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] alleen opzij heeft geduwd om de hotelkamer te verlaten, omdat hij zich juist van de situatie wilde onttrekken. Hierbij is zij niet gevallen, zoals ook te zien is op de camerabeelden. Geweldshandelingen zijn niet te zien op deze beelden. Het is onduidelijk op welk moment en waardoor [slachtoffer 2] het letsel heeft opgelopen.

Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 5.050,-. Hij heeft bij de politie direct verklaard dat hij het geld heeft gepind van zijn uitkering, waarvan ter zitting een onderbouwing is gegeven, en ter zitting heeft verdachte verklaard dat een ander deel is geleend van familieleden en een vriend. Het geld was bedoeld voor de verbouwing van de woning van [slachtoffer 2] , waaronder het laten leggen van de vloer, waar zij samen zouden gaan wonen. Verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. Nader onderzoek door het Openbaar Ministerie is uitgebleven waardoor niet kan worden vastgesteld dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde woninginbraak heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat hij hierbij betrokken is geweest. De camerabeelden van de vermeende daders zijn onvoldoende duidelijk om tot een vaststelling van de identiteit van verdachte te kunnen komen. Daarbij bevat het dossier slechts één herkenning van verdachte door een verbalisant waarin onvoldoende specifieke persoonskenmerken worden genoemd; er is te algemeen geverbaliseerd. Ook is niet opgenomen van hoeveel briefings de verbalisant verdachte herkent en wat de omstandigheden waren. Verder bevat het dossier nog drie anonieme meldingen waarin wordt gesteld dat verdachte te zien zou zijn op de camerabeelden. Aan deze meldingen komt een zeer beperkte bewijswaarde toe aangezien ook hierin geen concrete en onderscheidende uiterlijke kenmerken worden genoemd en anonieme meldingen niet kunnen worden getoetst.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak B ten laste gelegde woninginbraak en overweegt hiertoe als volgt.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van juwelen uit haar woning op 1 februari 2025 in [plaats] . Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld hoe de daders naar binnen zijn gegaan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij en haar man de deur achter zich dicht hebben getrokken zonder de cilinder op slot te doen en er zijn geen braaksporen aangetroffen. De vraag is of kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de juwelenkist (met inhoud). Er zijn camerabeelden beschikbaar waarop twee personen zijn te zien die de hal van het appartementencomplex betreden en hierbij hun hand/arm voor het gezicht houden waardoor zij niet goed zichtbaar zijn. Deze personen lopen gelijk de trap op en komen ongeveer een kwartier later weer de trap aflopen, waarbij één van hen een zwarte koffer in zijn hand heeft. De andere persoon opent de toegangsdeur en draait op dat moment zijn gezicht naar de camera.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de camerabeelden voldoende duidelijk om een herkenning op te kunnen baseren. Het dossier bevat echter maar één herkenning van verdachte door een verbalisant. Deze herkenning is niet gebaseerd op de bewegende beelden, maar op basis van een aantal foto’s daarvan. Volgens de verbalisant kent hij verdachte slechts van diverse briefings en aandachtsvestigingen waarbij verder niet wordt genoemd hoe vaak en onder welke omstandigheden deze verbalisant kennis heeft genomen van de uiterlijke kenmerken van verdachte. De verbalisant heeft verdachte dus niet in het echt gezien, bijvoorbeeld tijdens een aanhouding of het afnemen van een verhoor. Daarbij heeft de verbalisant geen onderscheidende persoonskenmerken beschreven, maar slechts algemene persoonskenmerken (“profiel, oogopslag, neus, mond, haardracht en kin”). Het dossier bevat nog drie herkenningen van verdachte door drie anonieme tipgevers die melding hebben gemaakt naar aanleiding van het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Gelet op het bepaalde in artikel 344a, lid 1 Wetboek van Strafvordering mag een bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate steunen op anonieme getuigenverklaringen. De herkenningen kunnen dan ook niet dienen als belangrijk steunbewijs. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, bij het ontbreken van ander bewijs uit andere, niet-anonieme bronnen, niet kan worden bewezen dat verdachte degene is die te zien is op de camerabeelden. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B ten laste gelegde.

4.3.2.

Ten aanzien van zaak A, feit 1

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld en overweegt hiertoe als volgt.

Een medewerkster van hotel [naam hotel] gelegen aan het [adres] hoorde op 24 juni 2025 omstreeks 19:00 uur een vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) schreeuwen. Zij zag op de camerabeelden dat er een man uit kamer 21 kwam en dat - kort nadat hij de trap nam - [slachtoffer 2] opnieuw begon te gillen en te huilen. Zij hoorde ook dat [slachtoffer 2] zei dat ze pijn had. Hierop is de medewerkster naar de betreffende hotelkamer gegaan en zij zag dat [slachtoffer 2] aan het huilen was en hoorde haar zeggen dat ze pijn had. [slachtoffer 2] wees naar haar rechterzij, waar de medewerkster een snee van 10 centimeter zag, en zij gaf aan dat haar vriend dit had gedaan. Vervolgens is de politie ter plaatse gekomen. Bij het openen van de deur van de hotelkamer zagen zij dat [slachtoffer 2] haar rechterhand op haar zij hield en dat zij voorovergebogen liep. [slachtoffer 2] verklaarde dat zij veel pijn had in haar zij en de politie zag een snee in haar zij en dat eromheen een grote bloeduitstorting ontstond. De politie zag dat de wond vers was. [slachtoffer 2] verklaarde dat zij ruzie heeft gehad met haar man en dat hij haar heeft geduwd waardoor zij tegen de hoek van de glazen tafel is aangekomen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat er geen glazen tafel in de hotelkamer stond en dat hij [slachtoffer 2] alleen opzij heeft geduwd, omdat hij de hotelkamer wilde verlaten, maar zij dat niet wilde. Zij zou hierbij niet gevallen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring, gelet op de camerabeelden, ongeloofwaardig. Op de beelden is wel degelijk een glazen tafel te zien zoals [slachtoffer 2] heeft verklaard. Daarnaast is te horen en te zien dat, kort nadat verdachte de hotelkamer verlaat, [slachtoffer 2] schreeuwt en tegelijkertijd naar haar rechterzij grijpt waar de politie kort erna een verse wond heeft waargenomen. Op grond van de verklaring van de medewerkster van het hotel, de bevindingen van de politie inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] en het waargenomen recente letsel bij [slachtoffer 2] , de verklaring van verdachte zelf en de camerabeelden acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar te duwen waardoor zij op/tegen de hoek van een glazen tafel is gevallen. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte de mishandeling heeft begaan tegen zijn levensgezel. Volgens vaste jurisprudentie is hiervoor vereist dat sprake is van twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking van zekere echtheid onderhouden1. Uit de inhoud van het dossier volgt dat verdachte een affectieve relatie had met [slachtoffer 2] en dat zij op het moment van de mishandeling tijdelijk in het hotel verbleven, omdat haar woning werd verbouwd waaraan verdachte meebetaalde. Ook waren zij getrouwd voor de Islamitische wet. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 2] als verdachtes levensgezel dient te worden aangemerkt. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde.

4.3.3.

Ten aanzien van zaak A, feit 2: gedeeltelijke bewezenverklaring

De rechtbank komt tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde witwassen van een contant geldbedrag en overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens de insluitingsfouillering van verdachte in verband met de mishandeling van [slachtoffer 2] heeft de politie bij hem een contant geldbedrag van € 5.050,- aangetroffen. |Verdachte gaf aan dat hij elke week zijn uitkering pinde. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in de huidige maatschappij gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s een ongebruikelijke hoeveelheid geld om op zak te dragen en is het ongebruikelijk dat als je van een uitkering afhankelijk bent, zoals verdachte aangaf, dat bedrag op te sparen in plaats van te gebruiken voor dagelijkse levensbehoeften, waardoor sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het om een verzameld gelbedrag gaat. Een deel van het bedrag heeft hij gepind van zijn uitkering (€ 2.150,-). Op de zitting zijn ter onderbouwing hiervan transacties overlegd waaruit zou volgen dat verdachte in de weken voorafgaande aan zijn aanhouding gelbedragen heeft opgenomen van zijn rekening. Het andere deel heeft verdachte geleend van familieleden, van de broer van [slachtoffer 2] (€ 1.500,-) en zijn oma (€ 900,-), en van een vriend (€ 500,-). Voor wat betreft het bedrag van € 4.550,- (bestaande volgens verdachte uit: gepinde contante bedragen van zijn uitkering € 2.150,-, leningen bij de broer van [slachtoffer 2] (€ 1.500,-) en zijn oma (€ 900,-) is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn verklaring een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten. Echter, nu een nader onderzoek naar deze verklaring van verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 4.550,- uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat verdachte dit geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Wat betreft het bij een vriend geleende geldbedrag van € 500,- geldt dat verdachte geen verifieerbare verklaring heeft gegeven, omdat hij geen persoonsgegevens van zijn vriend heeft willen geven. Ten aanzien van dit geldbedrag is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdacht een geldbedrag van € 500,- heeft voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A

1.

op 24 juni 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer 2] op/tegen de hoek van een glazen tafel is gevallen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

2.

op 24 juni 2025 te Amsterdam een contant geldbedrag van € 500,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Strafeis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, zal worden opgelegd.

6.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een taakstraf op te leggen met daarbij eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is gemotiveerd om zijn leven te veranderen. Hij staat onder toezicht van de reclassering, wat positief verloopt, en dit traject dient niet te worden doorkruist. Er staat een intakegesprek gepland voor een plek bij een begeleid wonen instelling. Zodra verdachte een vaste woonplek heeft, kan hij ook gaan werken. Verder is hij niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie en wil hij er graag voor zijn kinderenkunnen zijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

6.3.1.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt mishandeling van zijn toenmalige levensgezel door haar tijdens een ruzie in een hotelkamer te duwen waardoor zij op/tegen de hoek van een glazen tafel is gevallen. Hierdoor heeft het slachtoffer pijn en een snee in haar rechterzij opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke veiligheid van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte een geldbedrag van € 500,- witgewassen. Door het witwassen van illegaal geld wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden.

6.3.2.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 25 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad is dus niet van invloed op de op te leggen straf.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 2 september 2026, opgemaakt door mevrouw [naam 2] , reclasseringswerker bij Reclassering Leger des Heils. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven – dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten, maar niet op het gebied van (partner)geweld. Er is sprake van instabiliteit op diverse leefgebieden. Verdachte beschikt niet over een vaste woonplaats, heeft geen inkomen uit werk en er zijn schulden. Een mogelijk beschermende factor is verdachte zijn ogenschijnlijk tot verandering bereide en op de toekomstgerichte houding. Al zet de reclassering vraagtekens bij of hij zich daadwerkelijk zal committeren of dat zijn huidige houding voornamelijk een sociaal wenselijke behelst. Momenteel staat verdachte onder toezicht in het kader van parketnummer 02-259586-23 met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, toewerken naar financiële stabiliteit, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Volgens de toezichthouder van verdachte committeert hij zich afdoende aan het toezicht en lopen er diverse aanmeldingen. In het hoger beroep van deze zaak met parketnummer 23-000233-26 is op 25 augustus 2026 wederom een reclasseringstoezicht uitgesproken met dezelfde voorwaarden, met als (verlengde) einddatum 21 augustus 2028. Dit is positief, omdat de interventies nog niet van de grond zijn gekomen. Hoewel de reclassering met het oog op de instabiele leefgebieden indicaties voor interventies ziet, worden de risico’s voldoende ondervangen door het huidige (verlengde) toezicht. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Er zijn geen contra-indicaties voor een gevangenisstraf of een taakstraf. Een financiële sanctie is niet wenselijk gelet op de beperkte financiële middelen van verdachte en zijn schuldenlast.

6.3.3.

Straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van mishandeling met lichamelijk letsel, te weten een geldboete van € 1000,-, als vertrekpunt van denken. In het geval van huiselijk geweld wordt echter in beginsel geen geldboete opgelegd. Daarbij komt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 500,-. De rechtbank komt dan ook tot een zwaardere strafmodaliteit dan een geldboete en zal aan verdachte een taakstraf opleggen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

7 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp inbeslaggenomen en niet teruggegeven:

5.050 EUR (G6674291).

Verbeurverklaring en teruggave

De rechtbank zal een geldbedrag ter hoogte van € 500,- verbeurdverklaren, omdat met betrekking tot dit geldbedrag het in zaak A onder 2 bewezen geachte is gepleegd. De rest van het in beslag genomen geld van in totaal € 4.550,- zal, gelet op de vrijspraak, aan verdachte worden teruggegeven.

8. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (zaak B)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 63.685,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 02/259686-23

Bij de stukken bevindt zich de op 19 augustus 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 02/259686-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 april 2024 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Ter zitting is gebleken dat het gerechtshof van Amsterdam op 7 augustus 2026 de tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf heeft gelast en dat deze straf is omgezet naar een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Om die reden zal de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02/259686-23.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 300, 304 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A onder 1

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van zaak A onder 2

witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beslag

Verklaart verbeurd:

500 EUR (G6674291).

Gelast de teruggave aan [naam 3] van:

4.550 EUR (G6674291).

Vordering tot schadevergoeding

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02/259686-23.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. I. Timmermans en Q.J.M.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.

[....]

[....]

3 [....]

5 [....]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »